Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 22 maart 2016;
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 7 juni 2016 de beschikking van de kinderrechter van 11 maart 2016 bekrachtigd, waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen is verleend. De moeder was in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking, maar het hof oordeelde dat de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn.
De kinderen, geboren in 2014 en 2015, hebben vanaf hun geboorte te maken gehad met een onveilige en instabiele opvoedingssituatie. Er waren meerdere zorgmeldingen, financiële problemen, drugsgebruik en huiselijk geweld binnen het gezin. De ouders hadden een belaste voorgeschiedenis, waaronder criminaliteit en prostitutie. De opvoedingssituatie was chronisch ontoereikend, met onvoldoende structuur, regelmaat en positieve sturing voor de kinderen.
Ondanks actieve hulpverlening sinds mei 2015 bleef de situatie zorgelijk. De moeder had een eigen woning en een bijstandsuitkering, maar dit bood onvoldoende garantie voor een veilige opvoedingssituatie. De moeder toonde onvoldoende bereidheid tot medewerking aan een gezinsopname bij GGZ Drenthe, onder meer door het nalaten van urinecontroles. De vader was niet bereid betrokken te worden bij de gezinsopname.
Het hof vond het noodzakelijk dat de uithuisplaatsing wordt voortgezet om de veiligheid en continuïteit van de verzorging van de kinderen te waarborgen. Ook een netwerkplaatsing bij de grootouders werd op dit moment niet onderzocht vanwege onvoldoende garanties. De beschikking van de kinderrechter werd daarom bekrachtigd.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen wordt bekrachtigd en voortgezet.