Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
14 juni 2016
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Amsterdam(hierna: de Inspecteur)
[Z](hierna: belanghebbende)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende had voor het jaar 2012 een aanslag inkomstenbelasting ontvangen waarbij aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van zijn dochter voor het derde en vierde kwartaal werd gecorrigeerd door de Inspecteur. De rechtbank Gelderland had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de Inspecteur opgedragen een nieuwe uitspraak op bezwaar te doen.
De Inspecteur stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het geschil spitste zich toe op de vraag of belanghebbende zich redelijkerwijs gedrongen kon voelen tot het doen van uitgaven voor het levensonderhoud van zijn dochter, ondanks haar inkomen van € 5.924 in 2012.
Het Hof overwoog dat op grond van artikel 1:392 BW Pro ouders verplicht zijn te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarige kinderen, ongeacht de behoeftigheid van het kind. Het inkomen van de dochter was niet van dien aard dat van haar verwacht kon worden een bijdrage te leveren die de onderhoudsplicht van belanghebbende zou opheffen.
Daarom achtte het Hof de correctie van de Inspecteur ten onrechte en nam de uitgaven voor levensonderhoud van de dochter over het derde en vierde kwartaal 2012 in aanmerking tot een bedrag van € 830. Het Hof stelde het belastbare inkomen vast op € 33.691 en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en het belastbare inkomen wordt vastgesteld op € 33.691.