ECLI:NL:GHARL:2016:4936

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 juni 2016
Publicatiedatum
20 juni 2016
Zaaknummer
200.166.149/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezag vader over minderjarige en benoeming voogd door gecertificeerde instelling

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het gezag over twee minderjarigen behandeld. De vader had het eenhoofdig gezag over beide kinderen. De relatie tussen de vader en de oudste minderjarige (geboren 2000) is ernstig verstoord, waarbij sprake is van zorgelijke uitingen over huiselijk geweld. De vader erkent het conflict en stemt in met beëindiging van zijn gezag over deze minderjarige. De gecertificeerde instelling (Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering) is bereid het voogdijschap op zich te nemen.

Het hof oordeelt dat het in het belang van de oudste minderjarige is het gezag van de vader te beëindigen en de gecertificeerde instelling tot voogd te benoemen. Voor de jongste minderjarige (geboren 2002) blijft het eenhoofdig gezag bij de vader, ondanks zorgen over de thuissituatie en de verstoorde communicatie tussen ouders. Het hof benadrukt dat de vader zich moet inspannen voor een goede samenwerking met de gecertificeerde instelling en het contact tussen de minderjarige en de moeder moet bevorderen.

De beschikking van de rechtbank Noord-Nederland wordt voor het gezag over de oudste minderjarige vernietigd en voor het gezag over de jongste minderjarige bekrachtigd. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

Uitkomst: Het gezag van de vader over de oudste minderjarige wordt beëindigd en de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd; het gezag over de jongste minderjarige blijft bij de vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.166.149/01
(zaaknummer rechtbank C/18/151306 / FA RK 14-2675)
beschikking van 14 juni 2016
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. H.A. Jonker-van Dijk, kantoorhoudend te Beilen,
en
[verweerder],
wonende te [B] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. Wierts, kantoorhoudend te Groningen.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering,
kantoorhoudend te Groningen,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling of de GI.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 10 september 2015 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna te noemen de raad) van
25 maart 2016 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Jonker-van Dijk van 7 april 2016 met productie(s);
- een fax van de GI van 31 mei 2016 met productie(s);
- een brief van de raad van 31 mei 2016 met productie(s);
- een fax van de GI van 6 juni 2016.
1.3
Op 2 juni 2016 is [de minderjarige1] (hierna te noemen: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2000, verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door het hof is gehoord.
1.4
Op 2 juni 2016 is de mondelinge behandeling voortgezet. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. De vader werd vertegenwoordigd door zijn advocaat. Namens de raad is de heer [C] verschenen. Voorts is de heer [D] namens de GI verschenen.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van
10 september 2015, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
2.2
In die beschikking heeft het hof de tussen partijen gemaakte afspraken over de zorg- en contactregeling tussen de moeder en [de minderjarige2] vastgelegd en de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar en te adviseren over de vraag welke voorziening in het gezag het meest in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is. De raad heeft onderzoek ingesteld en de bevindingen in het raadsrapport van 24 maart 2016 gerapporteerd. De raad heeft het onderzoek ten aanzien van [de minderjarige1] ambtshalve uitgebreid naar een beschermingsonderzoek en de rechtbank verzocht een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] uit te spreken. Bij beschikking van 13 april 2016 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, [de minderjarige1] onder toezicht van de GI gesteld met ingang van 13 april 2016 tot 13 april 2017 en voor dezelfde periode een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend.
Het gezag over [de minderjarige1]
2.3
Ter zitting van het hof heeft de raad het hof verzocht het gezag van de vader over [de minderjarige1] te beëindigen en de GI te belasten met de voogdij over [de minderjarige1] . Op grond van artikel 1:266 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
2.4
Het hof overweegt hieromtrent als volgt. [de minderjarige1] verblijft sinds juli 2015 niet meer bij de vader en duidelijk is dat de relatie tussen de vader en [de minderjarige1] ernstig is verstoord. [de minderjarige1] heeft zorgelijke uitingen over huiselijk geweld in de thuissituatie bij de vader gedaan. De vader ontkent dat hiervan sprake is geweest. Vast is komen te staan dat sinds [de minderjarige1] uit huis is gegaan er geen tot nauwelijks contact is geweest tussen hem en de vader. Een herstel van de onderlinge verhoudingen valt binnen een redelijke termijn niet te verwachten. De vader heeft dan ook aangegeven het eens te zijn met een gezag beëindigende maatregel en heeft hiertoe op 19 april 2016 een akkoordverklaring ondertekend. Niet in geschil is dat de vader niet in staat zal zijn om binnen een voor [de minderjarige1] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] weer op zich te nemen.
Daarbij heeft [de minderjarige1] duidelijk aangegeven dat hij niet wil dat één van zijn ouders het gezag over hem uitoefent. Inmiddels heeft de GI de raad dan ook verzocht een onderzoek te doen naar de wenselijkheid van een gezag beëindigende maatregel.
2.5
Ter zitting is duidelijk geworden dat de vader, de moeder en ook de GI achter het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de vader en de benoeming van de GI tot voogd staan. Hierover is ter zitting uitdrukkelijk gesproken en de moeder heeft ter zitting haar verzoek om met het gezag over [de minderjarige1] te worden belast ingetrokken. In het belang van [de minderjarige1] acht zowel de vader, als de moeder, als ook de GI het van belang dat het hof het verzoek van de raad toewijst. Nu alle belanghebbenden het eens zijn met het verzoek van de raad tot beëindigen van het gezag van de vader en het benoemen van een voogd en de GI zich bereid heeft verklaard het gezag over [de minderjarige1] op zich te willen nemen, acht het hof het in het belang van [de minderjarige1] dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over de vraag wie het gezag over hem zal uitoefenen en zal het hof conform het verzoek van de raad beslissen. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat er binnen een voor [de minderjarige1] aanvaardbare termijn geen zicht is op een zodanig herstel van de onderlinge verhoudingen dat de vader in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. Het hof zal per heden het gezag van de vader over [de minderjarige1] beëindigen en de GI tot voogd van [de minderjarige1] benoemen.
Het gezag over [de minderjarige2]
2.6
In het raadsrapport van 24 maart 2016 heeft de raad het hof geadviseerd de bestreden beschikking waarbij de vader is belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te bekrachtigen. Ter zitting van het hof heeft de raad aangegeven zijn standpunt in deze voor wat betreft [de minderjarige2] te handhaven. Ondanks dat de raad ten aanzien van de vader ernstige zorgen heeft over het behartigen van de belangen van [de minderjarige2] is er naar de mening van de raad geen basis voor gezamenlijk gezag van de ouders, gezien de jarenlange verstoorde relatie tussen hen beiden en het risico dat [de minderjarige2] klem en verloren raakt.
2.7
Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van een ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Het ouderlijk gezag houdt een aantal bevoegdheden in die nodig zijn voor de opvoeding en verzorging, zoals onder andere de bevoegdheid om belangrijke beslissingen in het leven van het kind te nemen. In geval van gezamenlijk gezag worden dergelijke beslissingen samen met de andere gezaghebbende ouder genomen. Voor gezamenlijk gezag is dan ook in het algemeen vereist dat de ouders feitelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Nodig is kortom, dat zij met elkaar hierover (kunnen) communiceren.
2.8
Met de raad en de rechtbank is het hof van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige2] is dat de vader alleen het gezag over [de minderjarige2] houdt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat partijen niet in staat zijn tot de voor de uitoefening van gezamenlijk gezag noodzakelijke communicatie. De vader en de moeder zijn al lange tijd niet in staat om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren. Zicht op verbetering is er niet. De ouders hebben geen vertrouwen in elkaar, laten zich negatief over elkaar uit en maken elkaar verwijten ten aanzien van de opvoeding van de kinderen. Partijen zijn volgens de raad verzand geraakt in een jarenlang durende strijd waarbij zij geen oog hebben voor het belang van [de minderjarige2] , die zij hiermee (ernstig) beschadigen. Daarbij overweegt de raad in zijn raadsrapport dat de moeder de indruk wekt de vader tegen te willen werken waar het gaat om het nemen van beslissingen over de kinderen.
Deze situatie is niet in het belang van [de minderjarige2] ; hij zit hierdoor klem tussen de ouders en de voortdurende strijd tussen de ouders zal schadelijke gevolgen voor hem hebben. Het hof zal de raad dan ook volgen in zijn advies om het eenhoofdig gezag van de vader in stand te houden. Echter het hof overweegt daarbij dat ook het hof de (ernstige) zorgen die er zijn over de thuissituatie bij de vader deelt. Er is tot op heden onvoldoende zicht op de vraag of de vader voldoende kan aansluiten bij de belangen van [de minderjarige2] . De vader zal zich de komende tijd actief moeten inspannen en welwillend dienen op te stellen richting de GI zodat er een goed zicht komt op het functioneren van de vader als opvoeder en op de ontwikkeling van [de minderjarige2] . De vader dient zich te realiseren dat hij de GI in staat moet stellen om een vrij contact met [de minderjarige2] te hebben en hij [de minderjarige2] ook zelf dient te stimuleren om dit contact aan te gaan. Voorts dient de vader zich ervan bewust te worden dat het uitblijven van contact tussen [de minderjarige2] en de moeder schadelijke effecten zal hebben op de ontwikkeling van [de minderjarige2] . De vader heeft recent de omgang tussen [de minderjarige2] en de moeder (tijdelijk) stopgezet, terwijl er een afspraak tussen partijen was gemaakt over de omgang en deze afspraak ook is vastgelegd in de beschikking van dit hof van 10 september 2015. De vader zal [de minderjarige2] voldoende ruimte moeten bieden om een onbelast contact met de moeder te hebben en zal zich ook moeten inspannen om [de minderjarige2] te motiveren het contact met de moeder te onderhouden.

3.De slotsom

3.1
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen de grieven (in principaal en incidenteel appel) deels. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover nog aan zijn oordeel onderworpen, deels bekrachtigen en deels vernietigen en beslissen als volgt.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
9 december 2014, voor wat betreft het gezag over [de minderjarige2] , geboren [in]
2002;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
9 december 2014, voor wat betreft het gezag over [de minderjarige1] , geboren [in]
2000, met ingang van heden, en in zoverre opnieuw beschikkende:
beëindigt met ingang van heden het gezag van de vader over [de minderjarige1] , geboren [in]
2000;
benoemt tot voogd over [de minderjarige1] de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering, gevestigd te Groningen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, J.D.L.S. Bosch en M.P. den Hollander, bijgestaan door mr. M. Koster als griffier, en is op 14 juni 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.