Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellant],
Verwelius,
1.Het geding in eerste instantie
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten, het geschil en de beslissing in eerste aanleg
4.De beoordeling in hoger beroep
Grief 1en de daarop gegeven toelichting komen er op neer dat zowel de (kantonrechter bij) de rechtbank Midden-Nederland als de (kantonrechter bij) de rechtbank Noord-Holland is tekort geschoten in de verplichting om [appellant] , die in eerste aanleg in persoon procedeerde, juist en volledig voor te lichten over zijn rechtsmiddelen.
Grief 2strekt ertoe dat de vordering van [appellant] alsnog moet worden toegewezen, omdat Verwelius zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van recht en/of misbruik van procesrecht (door zo vaak om uitstel te vragen dat de appeltermijn is verstreken voordat [appellant] er achter kwam dat zijn veronderstelling dat hij terecht verzet had aangetekend van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 2 oktober 2014 onjuist bleek) en omdat de toewijzing van de vordering van Verwelius door de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland berust op een valse getuigenis. Onder meer van deze laatste stelling heeft [appellant] bewijs aangeboden, welk aanbod hij bij zijn akten van 23 februari 2016 nader gestalte heeft gegeven. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.