In deze zaak stond de vaststelling van kinderalimentatie en partneralimentatie centraal, waarbij het hof het inkomen en de draagkracht van partijen nauwkeurig heeft onderzocht. De vrouw stelde dat het inkomen van de man tijdens het huwelijk hoger was dan eerder vastgesteld, maar het hof vond haar bewijs onvoldoende en handhaafde het bruto jaarinkomen van €46.000.
De behoefte van de kinderen werd berekend op basis van het gezamenlijk netto besteedbaar inkomen en de zorgkortingen, waarbij het hof rekening hield met de verschillende hoofdverblijven van de kinderen. De draagkracht van de man en vrouw werd berekend volgens de geldende tabellen, waarbij ook het kindgebonden budget van de vrouw werd meegenomen.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking over kinderalimentatie en stelde nieuwe maandelijkse bijdragen vast voor de man en vrouw, afhankelijk van de periode en het kind. De partneralimentatie werd bekrachtigd op €920 netto per maand, aangezien de vrouw recht heeft op een bijstandsuitkering en niet in staat is zelf in haar onderhoud te voorzien.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.