Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
beschikking van 7 juli 2016
in de zaak van
[Verzoekster] ,
[Verzoekster]
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak staat de vraag centraal of het bepaalde in art. 4:178 lid 2 tweede Pro zin BW van toepassing is op een testamentair bewind dat is ingesteld onder het oude erfrecht, vóór 1 januari 2003. Verzoekster, erfgenaam en rechthebbende, verzocht om opheffing van het testamentair bewind dat op haar verkrijging uit de nalatenschap van haar moeder rust.
Het hof stelt vast dat het testamentair bewind is ingesteld bij testament van 3 februari 1994, onder het oude erfrecht. Door toepassing van art. 134 Overgangswet Pro nieuw Burgerlijk Wetboek geldt sinds 1 januari 2003 afdeling 4.5.7 BW, waaronder art. 4:178 lid 2 tweede Pro zin BW, ook voor dit bewind, tenzij de uiterste wil van de erflater anders bepaalt. Omdat deze bepaling van dwingend recht is en het oude erfrecht geen vergelijkbare regeling kende, is art. 4:178 lid 2 tweede Pro zin BW van toepassing.
Verzoekster had twee grieven tegen de rechtbankbeschikking, maar heeft de tweede grief ingetrokken en haar oorspronkelijke verzoek niet gehandhaafd. Het hof oordeelt dat de eerste grief terecht is, maar dat dit niet leidt tot vernietiging van de beschikking. Het hoger beroep wordt daarom verworpen.
De kosten van de procedure worden niet aan verzoekster opgelegd, omdat deze kosten behoren tot de taak van de bewindvoerder en ten laste van de onder bewind gestelde goederen kunnen worden gebracht.
De uitspraak is gedaan door mr. W. Breemhaar, mr. M.E.L. Fikkers en mr. M.W. Zandbergen op 7 juli 2016.
Uitkomst: Het hoger beroep van verzoekster wordt verworpen en het testamentair bewind blijft gehandhaafd.