Uitspraak
[klager] ,
[beklaagde] ,
Het beklag
De beoordeling van het beklag
Beslissing
[beklaagde]zal worden ingesteld ter zake van een van de misdrijven omschreven in de artikelen 137c of artikel 266 van Pro het Wetboek van Strafrecht;
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Op 22 januari 2015 diende klager een klaagschrift in tegen de beslissing van de officier van justitie om geen strafvervolging in te stellen tegen beklaagde wegens belediging en discriminatie. Klager had aangifte gedaan naar aanleiding van beledigende en discriminerende e-mails van beklaagde in het kader van een geschil over de aan- en verkoop van een tweedehands auto.
De officier van justitie had aanvankelijk een strafbeschikking van €250,- opgelegd, maar deze later ingetrokken wegens het feit dat het delict te oud zou zijn. Het hof oordeelde dat deze intrekking onbegrijpelijk was en dat de strafbeschikking terecht was uitgevaardigd gezien het bewijs, waaronder de e-mails die beklaagde niet had ontkend te hebben verzonden.
Het hof concludeerde dat het beklag van klager gegrond was en beval dat de officier van justitie vervolging tegen beklaagde zou instellen, hetzij via strafbeschikking, hetzij via reguliere vervolging. De zaak werd behandeld in raadkamer zonder aanwezigheid van klager en beklaagde, waarbij de advocaat-generaal aanwezig was en het standpunt van vervolging ondersteunde.
Uitkomst: Het hof beveelt vervolging van beklaagde wegens belediging en discriminatie, ondanks intrekking van de eerdere strafbeschikking.