Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd en hebben twee kinderen. Na indiening van het verzoek tot echtscheiding in 2014 is het huwelijk op 23 december 2015 ontbonden. De vrouw vordert een bijdrage van de man in haar levensonderhoud en een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waaronder bankrekeningen en een beleggingsportefeuille.
De vrouw stelt een netto behoefte van €3.683 per maand, terwijl de man dit betwist en een lagere behoefte aanvoert. Het hof bepaalt de behoefte van de vrouw op €3.683 netto per maand en erkent haar medische beperkingen die haar arbeidsvermogen beperken tot drie dagen per week. Het vermogen van partijen wordt buiten beschouwing gelaten bij de behoefte- en draagkrachtberekening.
De draagkracht van de man wordt vastgesteld op basis van een bruto jaarinkomen van circa €159.468, met aftrek van fiscale kortingen en lasten. Het hof oordeelt dat de man voldoende draagkracht heeft om de partneralimentatie van €3.500 bruto per maand te betalen vanaf de datum van echtscheiding.
Verder regelt het hof de verdeling van de bankrekeningen en beleggingsportefeuille per peildatum 21 juli 2014, waarbij negatieve saldi worden aangezuiverd. De vrouw heeft recht op haar deel van de teruggave inkomstenbelasting over 2013 en 2014. Verzoeken van de man om betaling van gebruikers- en eigenaarslasten van de echtelijke woning door de vrouw worden afgewezen vanwege de verzorgingsplicht tot de datum van echtscheiding.
Het hof vernietigt de eerdere beschikking voor zover deze de alimentatie en verdeling afwees, wijst de partneralimentatie toe, regelt de verdeling van vermogensbestanddelen en compenseert de proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: De man moet vanaf 23 december 2015 €3.500 per maand partneralimentatie betalen en de huwelijksgoederengemeenschap wordt verdeeld volgens het hof.