Uitspraak
[verzoeker],
raadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen drie raadsheren van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, naar aanleiding van een tussenarrest van 13 oktober 2015. Verzoeker stelde dat de raadsheren onvoldoende diepgang betracht hadden en daardoor vooringenomen waren, wat nadelig uit zou pakken in scheidingszaken.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek ontvankelijk was, maar benadrukte dat wraking niet kan worden gebruikt als verkapt middel tegen inhoudelijke beslissingen van de rechter. De kamer stelde vast dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid.
De kamer concludeerde dat de bezwaren van verzoeker vooral terug te voeren waren op de inhoud van het tussenarrest, en dat dit onvoldoende aanleiding gaf om vooringenomenheid te vermoeden. Ook de verwijzing naar rechtsregels en de proceshouding van verzoeker boden geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.
Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en afgewezen. De beslissing werd op 3 februari 2016 in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer bestaande uit voorzitter Zandbergen en leden ter Berg en Sekeris.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheren wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.