Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Arrest van 20 september 2016
[appellant] ,
[appellant],
1. Technisch Bureau Wesko B.V.,
Wesko,
2. [geïntimeerde2] ,
[geïntimeerde2],
3. [geïntimeerde3] ,
[geïntimeerde3],
[geïntimeerden] c.s.,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. Het geschil betreft de vraag of appellant het ingestelde appel rechtsgeldig heeft ingeschreven in het rechtsmiddelenregister zoals vereist op grond van art. 3:301 lid 2 BW Pro en art. 433 Rv Pro.
Het hof heeft appellant in de gelegenheid gesteld om bewijs van inschrijving in het rechtsmiddelenregister te overleggen. Appellant heeft producties ingediend, waaronder een brief van zijn advocaat en een e-mail van de griffie van de rechtbank, waarin wordt bevestigd dat de dagvaarding op 16 maart 2015 bij de receptie van de rechtbank is afgegeven en doorgezonden aan het hof. Echter, uit deze stukken blijkt niet dat het appel daadwerkelijk in het rechtsmiddelenregister is ingeschreven.
Het hof overweegt dat een enkel verzoek aan de griffie om inschrijving niet voldoende is als de griffie dit niet heeft uitgevoerd, en dat appellant niet heeft aangetoond dat het register bestaat of dat de inschrijving heeft plaatsgevonden. Gelet op deze omstandigheden verklaart het hof appellant niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
De uitspraak is gedaan door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 20 september 2016 en bevestigt het belang van correcte procedurele handelingen bij het instellen van hoger beroep.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van een geldige inschrijving in het rechtsmiddelenregister.