Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak is in eerste aanleg een machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen verleend wegens ernstige zorgen over hun veiligheid en opvoeding bij de moeder. De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de verlenging van de uithuisplaatsing tot twaalf maanden en verzocht om terugplaatsing of een co-ouderschapsregeling.
Het hof overweegt dat de problematiek rond de kinderen ernstig is, met gedragsproblemen, terugval in zindelijkheid en vermoedens van seksueel misbruik. De thuissituatie wordt gekenmerkt door onvoldoende pedagogisch inzicht en onvermogen van de moeder om de veiligheid en verzorging te waarborgen. De GI heeft de kinderen geplaatst in een residentiële setting waar verbetering is opgetreden.
De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om co-ouderschap omdat dit een nieuw verzoek betreft dat niet in hoger beroep kan worden ingediend. Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing, maar beperkt deze tot 21 september 2016, conform het oorspronkelijke verzoek van de GI. Het hof legt de moeder op samen te werken met de GI om te onderzoeken of terugplaatsing mogelijk is.
De beslissing weerspiegelt de noodzaak de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen te waarborgen, terwijl ruimte wordt gelaten voor toekomstig onderzoek naar terugplaatsing.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt bekrachtigd tot 21 september 2016 en het verzoek om co-ouderschap wordt niet-ontvankelijk verklaard.