Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
De omvang van het geschil
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn gescheiden en hebben drie minderjarige kinderen gezamenlijk in gezag, met hoofdverblijf bij de moeder. De vader heeft daarnaast een vierde kind met zijn nieuwe partner. Na wijziging van de wetgeving per 1 januari 2015 en gewijzigde omstandigheden, verzocht de vader om verlaging van zijn alimentatieverplichtingen. De rechtbank had de kinderbijdrage vastgesteld op €291 per kind en partneralimentatie op €952 per maand.
In hoger beroep stelde het hof vast dat de verhuizing van de vader geen relevante wijziging van omstandigheden opleverde, maar de wetswijziging per 1 januari 2015 wel. De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op €571 per maand per kind, en de draagkracht van de vader werd berekend op basis van zijn netto besteedbaar inkomen minus forfaitaire woonlasten en overige lasten. De draagkracht werd naar rato verdeeld over vier kinderen, waarbij de helft van de behoefte van het vierde kind werd meegenomen.
Het hof concludeerde dat de vader €281 per kind per maand aan kinderbijdrage moet betalen, maar onvoldoende draagkracht heeft voor partneralimentatie, zodat het verzoek van de moeder werd afgewezen. Tevens werd bepaald dat de moeder teveel ontvangen alimentatie niet hoeft terug te betalen. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en vervangen door deze nieuwe regeling.
Uitkomst: De kinderalimentatie wordt vastgesteld op €281 per kind per maand en het verzoek tot partneralimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende draagkracht.