ECLI:NL:GHARL:2016:8534

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
20 oktober 2016
Publicatiedatum
24 oktober 2016
Zaaknummer
200.187.516/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 3 IVRKArt. 20 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezag moeder ten gunste van pleegouders voor stabiliteit minderjarige

De minderjarige, geboren in 2004, is sinds 2008 uit huis geplaatst en verblijft sinds 2009 bij pleegouders. De rechtbank had het gezag van de moeder over de minderjarige beëindigd vanwege ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling en het onvermogen van de moeder om binnen een aanvaardbare termijn de verzorging op zich te nemen.

De moeder ging in hoger beroep en voerde aan dat zij positieve ontwikkelingen had doorgemaakt, maar het hof stelde vast dat het belang van het kind voorop staat, met name de behoefte aan continuïteit, zekerheid en een ongestoord hechtingsproces in het pleeggezin. De minderjarige is gehecht aan de pleegouders en vertoont positieve ontwikkeling sinds de plaatsing.

Terugplaatsing bij de moeder is niet mogelijk en de aanvaardbare termijn voor herstel is verstreken. Het voortduren van het gezag zou leiden tot voortdurende onzekerheid door jaarlijkse verlenging van ondertoezichtstelling. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking van de rechtbank en benadrukt dat de moeder een rol blijft houden in het leven van de minderjarige, met behoud van omgang en informatievoorziening.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de moeder, waarbij het perspectief blijvend bij de pleegouders ligt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.187.516/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/394001 / FL RK 15-1160)
beschikking van 20 oktober 2016
inzake
[verzoekster],
wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.E. Goudriaan te Almere,
en
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Midden Nederland
kantoorhoudend te Lelystad,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1.Samen Veilig Flevoland,

kantoorhoudend te Almere,
verder te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
2. [de pleegouders],
wonende te [B] ,
verder te noemen: de pleegouders van [de minderjarige] .

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 9 december 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 7 maart 2016;
- een journaalbericht van mr. Goudriaan van 18 maart 2016 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Goudriaan van 31 maart 2016 met productie(s);
- het verweerschrift met productie(s).
2.2
De minderjarige heeft bij brief van 31 augustus 2016 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 12 september 2016 plaatsgevonden.
Verschenen zijn mr. Goudriaan namens de moeder, mevrouw [C] namens de raad, mevrouw [D] namens de GI en de pleegouders.

3.De vaststaande feiten

3.1
Uit de moeder is [in] 2004 te [E] [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ) geboren.
3.2
Bij beschikking van 18 augustus 2008 is [de minderjarige] (aanvankelijk voorlopig) onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn nadien telkens verlengd.
3.3
[de minderjarige] is op 18 augustus 2008 bij zijn tante (moederszijde) gaan wonen en verblijft sinds 6 maart 2009 in het huidige pleeggezin.
3.4
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd.

4.De omvang van het geschil

4.1
De moeder is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van
9 december 2015. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen, kosten rechtens.
4.2
Het hof zal de grieven gezamenlijk beoordelen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Op grond van artikel 1:266 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2
In het onderhavige geval is de hiervoor onder a. genoemde grond van toepassing,
zo is, met de rechtbank, ook het hof van oordeel. Het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn (zoals in artikel 1:266 BW Pro bedoeld) is voor een kind de periode van onzekerheid die het kan overbruggen, zonder verdergaande ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling, over de vraag in welk gezin hij verder zal opgroeien. Hiervoor zijn geen precieze algemene termijnen te geven.
Een en ander is afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Wel kunnen volgens de wetgever de volgende factoren worden genoemd die van belang zijn bij de afweging of een gezagsbeëindigende maatregel is aangewezen indien een minderjarige,
zoals [de minderjarige] , in een pleeggezin is geplaatst:
het pleegkind moet zich daar, indien mogelijk, volledig en harmonieus kunnen ontwikkelen. Met het oog hierop, in het bijzonder wanneer het op zeer jeugdige leeftijd in een perspectiefbiedend pleeggezin is geplaatst, dient duidelijkheid te bestaan over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van het kind;
als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Verlenging over een reeks van jaren is daarbij in beginsel geen juiste maatregel;
in die gevallen dient aan het belang van het kind bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces zwaarwegende betekenis
te worden toegekend;
e enkele bereidheid van de ouder met gezag zich niet te verzetten tegen de uithuisplaatsing van het kind mag niet doorslaggevend zijn bij de beoordeling van het verzoek tot beëindiging van het gezag.
5.3
Het hof is van oordeel dat, gelet op voormelde factoren en met inachtneming van
de omstandigheden van dit geval, het gezag van de moeder dient te worden beëindigd.
Het hof overweegt daartoe als volgt. Namens de moeder is gesteld dat zij de afgelopen
jaren op verschillende leefgebieden een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt.
Hiertoe is aangevoerd dat het geestelijk goed gaat met de moeder; zij is al lange tijd stabiel en gebruikt dagelijks trouw haar medicatie. De moeder behoeft geen begeleiding meer van maatschappelijk werk en werkt bij een sociale werkvoorziening. Het hof acht het begrijpelijk dat het voor de moeder onder de huidige (verbeterde) omstandigheden, zoals door haar advocaat ter zitting van het hof naar voren gebracht, heel moeilijk is dat de raad (alsnog)
een verzoek tot beëindiging van haargezag over [de minderjarige] heeft ingediend. Echter, gelet op het bepaalde in artikel 3 en Pro 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind staan bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief. [de minderjarige] , thans twaalf jaar oud, is uit huis geplaatst toen hij vier jaar oud was. [de minderjarige] was destijds angstig, had driftbuien en vertoonde gedragsproblemen (op school). [de minderjarige] werd blootgesteld aan het psychotische gedrag van de moeder, groeide geïsoleerd op en ging in de laatste periode dat hij bij zijn moeder woonde niet naar school. [de minderjarige] is vervolgens in 2008 uit huis geplaatst, waarop eind 2011 aan
hem is kenbaar gemaakt dat hij zal opgroeien in het pleeggezin. Gebleken is dat deze duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief een positief effect heeft gehad op de ontwikkeling van [de minderjarige] . [de minderjarige] is minder boos en angstig geworden en gaat sindsdien
met meer plezier naar de bezoekmomenten met de moeder. [de minderjarige] kan goed meekomen op school, is leergierig en maakt positief contact met leeftijdsgenoten. De school van [de minderjarige] omschrijft hem als een vrolijke, sociale jongen, maar wel met concentratiemoeilijkheden. [de minderjarige] kan soms nog angstig overkomen en zich in nieuwe situaties vastklampen aan de pleegouders. Verder is gebleken dat [de minderjarige] het moeilijk vindt om over zijn gevoelens te praten en dat hij soms moeite heeft met inslapen. [de minderjarige] is erg gevoelig voor verandering.
Dit blijkt uit angstig en onrustig gedrag. [de minderjarige] is, als gevolg van zijn belaste voorgeschiedenis, nog steeds kwetsbaar en heeft daarom meer dan gemiddeld behoefte
aan structuur en voorspelbaarheid.
Naar is gebleken kunnen de pleegouders hem dit bieden en kunnen zij aansluiten bij wat [de minderjarige] nodig heeft en tegemoet komt aan zijn ontwikkelingsbehoeften. [de minderjarige] woont inmiddels ruim zeven jaar bij de pleegouders en is aan hen gehecht geraakt. [de minderjarige] heeft
zich positief en leeftijdsadequaat ontwikkeld bij de pleegouders. Het voortduren van het hechtingsproces dat [de minderjarige] bij de pleegouders doormaakt is van essentieel belang voor zijn (verdere) ontwikkeling.
5.4
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder niet meer tot de mogelijkheden behoort. Het hof is dan ook van oordeel dat de voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn waarbinnen de moeder weer in staat moet worden geacht om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te dragen, is verstreken. Het hof acht het in het belang van [de minderjarige] en alle betrokkenen dat door middel van de beëindiging van het gezag van de moeder duidelijk wordt dat [de minderjarige] (in ieder geval) tot zijn volwassenheid zal opgroeien bij de pleegouders. Die duidelijkheid is des te meer van belang nu de instemming van de moeder met de uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet als duurzaam kan worden aangemerkt. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de moeder in 2014, zo heeft de GI ter zitting van het hof naar voren gebracht, heeft aangegeven dat ze haar best zou doen om [de minderjarige] terug te krijgen. Voorts blijkt (ook) uit het raadsrapport van 8 juni 2015 dat de moeder sinds 2014 aangeeft dat zij graag wil dat [de minderjarige] bij haar komt wonen en dat zij meent [de minderjarige] met alle nodige hulp zelf te kunnen opvoeden. Tijdens het raadsonderzoek heeft de moeder expliciet te kennen gegeven dat zij het niet (meer) eens is met de uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Het hof merkt in dit kader nog op dat het blijk geven van duurzame bereidheid van de moeder om [de minderjarige] in het pleeggezin te laten opgroeien, indien daarvan al sprake zou zijn, zoals door de moeder aangevoerd, gelet op het belang van [de minderjarige] bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie, niet (zonder meer) in de weg staat aan beëindiging van het gezag.
5.5
Het hof heeft voorts bij zijn oordeel betrokken dat het voortduren van het gezag van
de moeder, terwijl het perspectief van [de minderjarige] blijvend bij de pleegouders ligt, tot gevolg zou hebben dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing jaarlijks zouden dienen te worden verlengd, hetgeen veel onrust en onzekerheid met zich brengt. Een en ander klemt te meer nu [de minderjarige] dit jaar twaalf jaar is geworden en hij bij een verzoek tot verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing (telkens) zal worden opgeroepen om hierover te worden gehoord. Het hof acht dit niet in het belang van [de minderjarige] . Voorts geldt dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in beginsel van tijdelijke aard dienen te zijn en die tijdelijkheid pastniet bij de huidige situatie, waarin duidelijk is dat [de minderjarige] ’s belang gelegen is een bestendiging van het verblijf bij de pleegouders.
5.6
Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het hof in het belang van [de minderjarige] de stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie te waarborgen door het gezag van de moeder te beëindigen. Het hof wenst ten overvloede op te merken dat de moeder, ook wanneer zij niet meer met het gezag over [de minderjarige] is belast, zijn moeder blijft en dat de goede band en de omgang met [de minderjarige] behouden kan en dient te blijven. Het hof acht dit ook in het belang van [de minderjarige] , die de omgang met de moeder - zoals die thans plaatsvindt - fijn vindt.
De GI als ook de pleegouders zullen zich er voor inzetten dat het contact tussen [de minderjarige] en
de moeder goed blijft, zo hebben zij ter zitting van het hof aangegeven. De moeder heeft daarnaast nog steeds recht op informatie over belangrijke feiten en omstandigheden met betrekking tot (de ontwikkeling van) [de minderjarige] .

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van
9 december 2015.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en
I.A. Vermeulen, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 20 oktober 2016 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.