In deze civiele procedure stond de aansprakelijkheid van een curator centraal nadat het faillissement van een vennootschap onder firma werd vernietigd. De eiseres, houdster van een vordering op de gefailleerde vennootschap, kreeg uiteindelijk onvoldoende verhaal op haar vordering. Zij stelde de curator aansprakelijk wegens onrechtmatig handelen doordat deze niet zorgde voor een adequate reservering van gelden voor haar vordering.
Het hof overwoog dat een curator zorgvuldig moet handelen en dat persoonlijke aansprakelijkheid mogelijk is bij verwijtbaar onzorgvuldig handelen. De curator had afspraken gemaakt met de advocaat van de gefailleerde over de reservering van gelden, maar had de eiseres onvoldoende geïnformeerd over de overdracht van deze gelden. Dit vormde een persoonlijk verwijtbare onrechtmatigheid.
Tegelijkertijd werd geoordeeld dat eiseres eigen schuld had omdat zij het advies van de curator om contact te zoeken met de advocaat niet opvolgde, waardoor zij niet tijdig maatregelen nam om haar vordering veilig te stellen. De schade werd daarom verdeeld in een verhouding van 80% voor eiseres en 20% voor de curator.
De curator werd veroordeeld tot schadevergoeding, te bepalen bij staat, en in de proceskosten van beide instanties. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht.