Uitspraak
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een geschil over de hoogte van de kinderalimentatie die de man aan de vrouw moet betalen voor hun minderjarige zoon. Na ontbinding van het huwelijk in 2008 was de man sinds 2010 gehouden een maandelijkse bijdrage te leveren, welke in 2015 was geïndexeerd tot € 396,48. De rechtbank had de alimentatie per 9 maart 2015 vastgesteld op € 384,- per maand, maar de man ging hiertegen in hoger beroep vanwege zijn gewijzigde draagkracht.
Het hof oordeelt dat het inkomensverlies van de man, veroorzaakt door ontslag bij zijn voormalige werkgever, herstel vatbaar is. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat is het oude inkomensniveau te bereiken, mede gezien zijn opleiding, ervaring en netwerk. Zijn tijdelijke dienstverband en sollicitatie-inspanningen zijn onvoldoende onderbouwd. Daarom wordt zijn draagkracht berekend op basis van het fictieve inkomen bij zijn oude werkgever, met wettelijke indexering.
Verder wordt rekening gehouden met een zorgkorting van 15% vanwege de zorgregeling voor de minderjarige. De gezamenlijke draagkracht van partijen is toereikend om in de behoefte van het kind te voorzien, waarop de man een proportioneel aandeel van € 452,- per maand moet betalen. De ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie wordt vastgesteld op 3 augustus 2015, de datum waarop de vrouw een zelfstandig verzoek tot verhoging indiende.
De grieven van de man falen, die van de vrouw slagen, waarna de eerdere beschikking wordt vernietigd en de nieuwe alimentatieverplichting wordt vastgesteld. De proceskosten worden gecompenseerd omdat partijen gewezen echtgenoten zijn en het betreft een bijdrage voor een tijdens het huwelijk geadopteerd kind.
Uitkomst: De man moet vanaf 3 augustus 2015 € 452,- per maand kinderalimentatie betalen aan de vrouw.