Uitspraak
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] .
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Deze zaak betreft een hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen het niet tijdig beslissen door de officier van justitie op een verzoek tot intrekking van een sanctiebeschikking niet-ontvankelijk verklaarde en het beroep tegen het niet tijdig beslissen over de hoogte van verbeurde dwangsommen ongegrond verklaarde.
De gemachtigde van de betrokkene had een verzoek ingediend bij de officier van justitie om de inleidende sanctiebeschikking in te trekken, wat door de kantonrechter als een aanvraag werd beschouwd. Het hof oordeelt echter dat dit verzoek geen aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb, maar een verzoek om gebruik te maken van een ambtshalve bevoegdheid van de officier van justitie. Hierdoor is de kantonrechter onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op dit verzoek.
Daarnaast was het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beschikking tot vaststelling van de hoogte van een dwangsom eveneens niet ontvankelijk, omdat ook hiervoor geen sprake was van een aanvraag. Het hof vernietigt daarom de beslissing van de kantonrechter en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten aan de betrokkene.
Uitkomst: Het hof verklaart de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek en veroordeelt de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten.