De betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €93 opgelegd wegens een snelheidsovertreding van 12 km/u buiten de bebouwde kom op 12 november 2013. Hij stelde dat de sanctie geseponeerd moest worden omdat de officier van justitie hem pas twaalf weken na zijn verzoek de zaakstukken toestuurde, terwijl dit volgens hem binnen zes weken had moeten gebeuren. Tevens voerde hij aan dat vier verschillende verbalisanten zonder juiste papieren betrokken waren.
Het hof overwoog dat de WAHV geen mogelijkheid tot sepot biedt, maar dat beroep kan leiden tot vernietiging van de sanctiebeschikking. De officier van justitie is op grond van artikel 7:18, vierde lid, Awb verplicht stukken te verstrekken, maar er is geen wettelijke termijn van zes weken voor deze verstrekking. Het gelijkheidsbeginsel uit de Grondwet is niet van toepassing op de officier van justitie omdat deze een bestuursorgaan is en geen natuurlijk persoon.
Verder kon het hof niet volgen dat de verbalisanten niet bevoegd waren; de sanctie was opgelegd door een buitengewoon opsporingsambtenaar met een geldige beëdiging. Omdat de beroepsgronden faalden, bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter die het beroep niet-ontvankelijk had verklaard.