ECLI:NL:GHARL:2017:10292

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 november 2017
Publicatiedatum
24 november 2017
Zaaknummer
21-004326-16
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens strijd met richtlijn dagvaarding overbelading

In deze strafzaak tegen verdachte heeft het hof het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de economische politierechter. Het openbaar ministerie had tegen verdachte dagvaarding uitgevaardigd terwijl de toepasselijke richtlijn voorschreef dat in deze zaak een strafbeschikking had moeten worden opgelegd.

De economische politierechter had het openbaar ministerie reeds niet-ontvankelijk verklaard omdat het vereiste van recidive, dat volgens de richtlijn noodzakelijk is om tot dagvaarding over te gaan, niet was vastgesteld. Het openbaar ministerie stelde zich op het standpunt dat uit overgelegde stukken bleek dat verdachte eerder strafbeschikkingen had gekregen voor overbelading, maar de verdediging betoogde dat de recidiveregeling alleen geldt voor overtredingen van categorie 4 tot en met 7, terwijl de overtredingen in deze zaak tot categorie 3 behoren.

Het hof concludeerde dat het openbaar ministerie in strijd met de richtlijn heeft gehandeld door tot dagvaarding over te gaan en verklaarde het daarom niet-ontvankelijk. Het hof achtte dit een administratieve vergissing en vond geen bijzondere omstandigheden die niet-ontvankelijkheid konden weerleggen. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en het openbaar ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens strijd met de richtlijn dagvaarding.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004326-16
Uitspraak d.d.: 22 november 2017
TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Gelderland van 19 juli 2016 met parketnummer 96-162875-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 november 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door haar raadsman, mr. K. Vierhout, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De economische politierechter heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard omdat, kort gezegd, het bestaan van recidive zoals in de richtlijn wordt vereist om over te gaan tot dagvaarding, niet vast is komen te staan. Het openbaar ministerie heeft tegen dit vonnis appel ingesteld en daarbij stukken overgelegd waaruit blijkt dat aan verdachte eerder strafbeschikkingen zijn uitgevaardigd ter zake van overbelading.
Ter zitting van het hof heeft de raadsman aangevoerd dat de recidiveregeling, waarbij gedagvaard kan worden bij recidive van meer dan 3 keer, alleen van toepassing is op overtredingen van de categorieën 4 t/m 7. De overtredingen waar het openbaar ministerie in de schriftuur naar verwijst betreffen echter overtredingen van categorie 3. Het openbaar ministerie is in strijd met de richtlijn tot dagvaarding overgegaan en dient niet-ontvankelijk verklaard te worden.
De advocaat-generaal heeft ter zitting geconstateerd dat er inderdaad in strijd met de richtlijn is gedagvaard en heeft verzocht om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof gaat ervan uit dat het om een administratieve vergissing in de verwerking van de zaak bij het openbaar ministerie gaat. Het hof begrijpt de rechtspraak van de Hoge Raad aldus dat uitgangspunt is dat indien het openbaar ministerie in strijd met de toepasselijke richtlijn is overgegaan tot dagvaarding dit niet zonder meer hoeft te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging maar dat alleen de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat dit gevolg achterwege blijft (onder meer HR 13 juni 2017,ECLI:NL:HR:2017:1083). In het onderhavige geval heeft de advocaat-generaal echter niet dergelijke omstandigheden aangevoerd en zich daarentegen juist aangesloten bij het standpunt van de raadsman dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Het hof zal het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Aldus gewezen door
mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,
mr. A. van Waarden en mr. L.E.M. Hendriks, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T. Faber, griffier,
en op 22 november 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. L.E.M. Hendriks is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 22 november 2017.
Tegenwoordig:
mr. G. Mintjes, voorzitter,
mr. L.H.J. Vijlbrief-Smit, advocaat-generaal,
mr. A. Muradov, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.