Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de kinderrechter die een gecertificeerde instelling machtigde tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De moeder betwistte de noodzaak van de uithuisplaatsing en stelde dat de machtiging niet tijdig was uitgevoerd, waardoor deze zou zijn vervallen. Het hof oordeelde dat de machtiging op 12 september 2017 tijdig en officieel ten uitvoer was gelegd, ondanks dat de minderjarige pas enkele dagen later daadwerkelijk ging logeren in de voorziening.
De moeder voerde aan dat de hulpverlening thuis toereikend was en dat de uithuisplaatsing tot emotionele schade bij de minderjarige zou leiden. Het hof stelde vast dat sinds 2011 hulpverlening was ingezet maar onvoldoende effect had gehad, met verslechtering van de situatie en ernstige ontwikkelingsbedreigingen tot gevolg. De minderjarige had baat bij de structuur en veiligheid die de voorziening bood, waaronder een hervatting van de schoolgang.
Het hof nam de gemotiveerde overwegingen van de rechtbank over en concludeerde dat de uithuisplaatsing noodzakelijk was in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De bestreden beschikking werd daarom bekrachtigd en het beroep van de moeder afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de machtiging tot uithuisplaatsing en wijst het beroep van de moeder af.