ECLI:NL:GHARL:2017:10637

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 december 2017
Publicatiedatum
4 december 2017
Zaaknummer
WAHV 200.187.672
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 2:1 AwbArt. 6, eerste lid, WAHV
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing kantonrechter en ongegrondverklaring beroep tegen officier van justitie wegens niet tijdig overleggen machtiging

In deze zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep behandeld tegen een beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam. De kantonrechter had het beroep van betrokkene tegen een beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het hof stelde vast dat het proces-verbaal van de kantonrechter niet was ondertekend, waardoor de beslissing vernietigd moest worden. Vervolgens beoordeelde het hof het beroep tegen de officier van justitie, die het beroep niet-ontvankelijk had verklaard omdat de gemachtigde niet tijdig een schriftelijke machtiging had overgelegd.

De gemachtigde had de machtiging pas na de gestelde termijn overgelegd, waardoor het beroep terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. Het hof oordeelde dat het verzuim reeds bestond op het moment dat de machtiging ontbrak en dat de officier van justitie correct had gehandeld volgens artikel 6:6 Awb Pro.

Het hof verklaarde daarom het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond en vernietigde de beslissing van de kantonrechter.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en verklaart het beroep tegen de officier van justitie ongegrond wegens niet tijdig overleggen van de machtiging.

Uitspraak

WAHV 200.187.672
4 december 2017
CJIB 177112894
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam
van 15 januari 2016
betreffende
[A] ( [B] , incasso & procesvoering),
gevestigd te [C] ,
beweerdelijk optredende voor [betrokkene] ,
wonende te [C]

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Voorts heeft de kantonrechter het verzoek van [A] tot vergoeding van kosten afgewezen.

Het procesverloop

[A] heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
[A] heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De bestreden beslissing is aangetekend in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter. Het hof stelt vast dat daarin wel de naam is vermeld van de kantonrechter die het beroep van [A] heeft behandeld, maar dat het proces-verbaal niet is ondertekend door de kantonrechter. In het proces-verbaal is ook niet vermeld dat de kantonrechter buiten staat was dit (mede) te ondertekenen. Ondertekening door de rechter dient het belang dat de rechter daarmee bevestigt dat de weergegeven beslissing de zijne is. Het hof is van oordeel dat het gebrek van dien aard is dat de beslissing van de kantonrechter daarom moet worden vernietigd (vgl. het arrest van dit hof van 23 mei 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:3934).
2. Ter beoordeling van het hof is nu het beroep dat [A] tegen de beslissing van de officier van justitie heeft ingesteld. De officier van justitie heeft bij die beslissing het beroep van [A] tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat [A] niet tijdig een machtiging had overgelegd.
3. [A] voert daartegen onder meer aan dat hem niet de gelegenheid tot herstel van het verzuim is geboden. Hij merkt daarbij op dat de termijn voor herstel van verzuim eerst geboden kan worden na intreden van dat verzuim. Dat is eerst nadat vergeefs om een machtiging is verzocht. Door hem te verzoeken een machtiging over te leggen en hem het uitblijven daarvan direct niet-ontvankelijk te verklaren, heeft de officier van justitie in strijd met artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld, aldus [A] . Voorts merkt [A] op dat hij op 5 maart 2014 een machtiging heeft overgelegd, derhalve vóór de beslissing van de officier van justitie.
4. De sanctie is bij inleidende beschikking opgelegd aan [betrokkene] .
[betrokkene] is derhalve de beroepsgerechtigde in de zin van artikel 6, eerste lid, WAHV. Het beroep tegen de inleidende beschikking is ingediend door [A] , werkzaam bij [B] , incasso & procesvoering, derhalve door een ander dan de beroepsgerechtigde.
5. Op grond van artikel 2:1, eerste lid, van de Awb, kan een beroepsgerechtigde zich in de fase van het beroep bij de officier van justitie laten bijstaan of vertegenwoordigen door een gemachtigde. Uit het tweede lid van deze bepaling volgt dat van een gemachtigde kan worden verlangd dat hij een schriftelijke machtiging overlegt. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:6 Awb Pro kan het beroep vervolgens niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn.
6. Voor zover [A] stelt dat de termijn voor herstel van verzuim eerst geboden kan worden na intreden van dat verzuim, is dat niet juist. Zoals het hof heeft geoordeeld in zijn arrest van d.d. 9 maart 2010, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2010:BN5045, is er reeds sprake van verzuim op het moment dat degene die op het beroep dient te oordelen constateert dat de zijn ogen vereiste machtiging ontbreekt.
7. De officier van justitie heeft [A] bij brief van 21 januari 2014 verzocht om binnen een termijn van vier weken na dagtekening een machtiging over te leggen, waaruit blijkt dat hij door de betrokkene gemachtigd is beroep aan te tekenen tegen de inleidende beschikking, waarbij de sanctie is opgelegd. [A] heeft de officier van justitie bij schrijven van 5 maart 2014 een machtiging heeft toegezonden. De machtiging is derhalve niet binnen de daartoe gestelde termijn ontvangen. Gelet hierop heeft de officier van justitie [A] terecht niet-ontvankelijk verklaard in het beroep tegen de inleidende beschikking.
8. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.