Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
hierna: [appellante] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellante, een alleenstaande moeder met een uitkering, verzocht om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling vanwege een schuldenlast van ruim €6.200. De rechtbank wees dit verzoek af omdat niet aannemelijk was dat zij te goeder trouw was bij het ontstaan van haar schulden. Zij had ondanks haar financiële situatie consumptieve schulden aangegaan waarvan zij wist dat zij die niet kon voldoen.
In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het hof stelde vast dat appellante meerdere schulden had aangegaan binnen de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, waaronder bij woningbouwvereniging, energieleverancier en webwinkels. Haar stellingen dat sommige schulden ouder waren, konden dit niet wijzigen. De hardheidsclausule, die in uitzonderlijke gevallen toch toelating mogelijk maakt, werd niet toegepast omdat de enkele omstandigheid dat zij sinds anderhalf jaar budgetbeheer heeft en haar situatie sindsdien stabiel is, onvoldoende was om een bestendige gedragsverandering aan te tonen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek tot schuldsanering definitief af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot wettelijke schuldsaneringsregeling af wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende toepassing van de hardheidsclausule.