De heffingsambtenaar legde aanslagen watersysteemheffing op aan het College van Gedeputeerde Staten van Flevoland, waarbij ook onverharde delen zoals bermen en bermsloten van wegen werden meegerekend. De rechtbank Overijssel oordeelde dat alleen het verharde gedeelte van de weg belastbaar is en vernietigde de uitspraken op bezwaar. De heffingsambtenaar ging in hoger beroep.
Het Hof overwoog dat de wettelijke uitleg van het begrip 'verharde openbare weg' doorslaggevend is en dat de wetgever bij tariefdifferentiatie alleen het verharde deel van wegen voor ogen had, omdat dit deel piekafvoeren veroorzaakt en diffuse verontreiniging oplevert. Bermen en bermsloten dragen bij aan waterafvoer maar veroorzaken geen wateroverlast of diffuse verontreiniging.
Verder oordeelde het Hof dat de systematiek van kostentoedeling en tariefdifferentiatie niet leidt tot een ruime uitleg van het begrip verharde openbare weg. Ook andere wetsartikelen over wegen zijn van onvoldoende gewicht voor een ruimere interpretatie. De taalkundige uitleg sluit de beperkte uitleg niet uit.
Het Hof bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De heffingsambtenaar werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en het griffierecht werd vastgesteld.