De zaak betreft een langdurige samenwerking tussen meerdere besloten vennootschappen, waaronder Drukkerij Van de Ridder en MIG, waarbij een voorgenomen fusie met Van Liere niet doorging. Na het afblazen van de fusie ontstonden geschillen over management fees en de verdeling van oprichtingskosten.
MIG vorderde betaling van een management fee gebaseerd op een redelijk loon, terwijl Van de Ridder c.s. stelde dat een lagere, overeengekomen fee van toepassing was en dat zij al betalingen had verricht. Het hof oordeelde dat de management fee voor 2012 en 2013 was vastgesteld op respectievelijk €180.000 en €76.000, en dat MIG slechts recht had op een bedrag van €43.199,93 inclusief btw na verrekening van voorschotten.
Daarnaast ging het geschil over de oprichtingskosten van de groep. Het hof stelde vast dat deze kosten door de Drukkerij waren betaald en stilzwijgend aan MIG waren doorbelast, waardoor MIG aan de Drukkerij €140.178 moest betalen. Diverse andere vorderingen van partijen werden bevestigd of afgewezen. Het hof bekrachtigde deels het vonnis van de rechtbank en deed in een aantal punten opnieuw recht.
De kosten van het hoger beroep werden aan MIG opgelegd, die als overwegend in het ongelijk gestelde partij werd aangemerkt.