Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de kinderrechter die een gecertificeerde instelling machtigde tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De vader en moeder zijn gezamenlijk gezagdragers. De ondertoezichtstelling was reeds van kracht sinds januari 2017. De uithuisplaatsing volgde op een incident waarbij vermoedelijk drugsgebruik door de vader een rol speelde, wat door hem werd ontkend maar niet overtuigend werd onderbouwd.
Het hof constateerde ernstige zorgen over de opvoedingssituatie en het gebrek aan bereikbaarheid van de vader voor de gecertificeerde instelling, waardoor toezicht onvoldoende mogelijk was. Na de uithuisplaatsing verbeterde de situatie: de vader zocht hulp, onderging vrijwillige urinecontroles, en er waren positieve begeleide omgangsmomenten met de minderjarige.
De gecertificeerde instelling had onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom de uithuisplaatsing moest worden voortgezet. Het hof oordeelde dat de veiligheid en het welzijn van de minderjarige binnen de thuissituatie bij de vader gewaarborgd konden worden via de ondertoezichtstelling. Daarom werd de machtiging tot uithuisplaatsing per 22 december 2017 beëindigd, met behoud van de ondertoezichtstelling en mogelijkheid tot ambulante begeleiding.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt per 22 december 2017 beëindigd en de minderjarige kan terugkeren naar de vader onder ondertoezichtstelling.