ECLI:NL:GHARL:2017:11334

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 december 2017
Publicatiedatum
22 december 2017
Zaaknummer
21-004037-16
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a OpiumwetArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs in cocaïne-inbeslagname bij grootschalig evenement

Verdachte werd aangehouden tijdens een grootschalig evenement waarbij een substantie, vermoedelijk cocaïne, bij hem in beslag werd genomen. De identificatie van de in beslag genomen substantie op de verschillende processtukken, zoals de kennisgeving van inbeslagneming (KVI), het proces-verbaal van de indicatieve test en het NFI-rapport, was inconsistent en onvoldoende eenduidig.

De KVI vermeldde geen uniek SIN-nummer, terwijl dit volgens de Aanwijzing inbeslagneming verplicht is voor een juiste koppeling van het bewijsstuk. Hierdoor kon niet met zekerheid worden vastgesteld dat de door het NFI onderzochte substantie daadwerkelijk de substantie was die bij verdachte was aangetroffen.

Het hof oordeelde dat vanwege de grootschaligheid van het evenement en het ontbreken van een eenduidige identificatie, het bewijs onvoldoende was om verdachte te veroordelen. Het NFI-rapport werd niet als bewijs aanvaard. Er was geen ander wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Daarom sprak het hof verdachte vrij van het ten laste gelegde.

Het vonnis van de politierechter werd vernietigd en de zaak werd opnieuw beoordeeld, waarbij het hof tot vrijspraak kwam. De zaak benadrukt het belang van zorgvuldige en eenduidige registratie van inbeslaggenomen goederen, zeker bij grootschalige evenementen.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat de onderzochte substantie ook de in beslag genomen cocaïne betrof.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004037-16
Uitspraak d.d.: 22 december 2017
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 5 juli 2016 met parketnummer 16-170525-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 december 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het ten laste gelegde tot een geldboete van € 500,- subsidiair tien dagen hechtenis, te betalen in vijf maandelijkse termijnen van € 100,-. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. J. de Vries, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 750,- waarvan € 250,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 22 augustus 2015 te [plaats] , gemeente [gemeente] , opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 4,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De raadsman heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat op de kennisgeving van inbeslagneming (hierna: KVI) geen SIN nummer of een anderszins uniek nummer is vermeld. De KVI is hierdoor niet opgemaakt in overeenstemming met de Aanwijzing inbeslagneming, waarin is vastgelegd dat er op een KVI een uniek nummer voor een in beslag genomen voorwerp moet worden vermeld. Nu dit niet is gebeurd kan niet worden vastgesteld, dat de substantie die door het NFI is onderzocht en waarvan het NFI heeft vastgesteld dat dit cocaïne betreft, ook de substantie is die onder verdachte in beslag is genomen. Gelet hierop kan niet wettig en overtuigend worden vastgesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken, aldus de raadsman.
Het hof overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat er tijdens een grootschalig evenement als waar verdachte is aangehouden, meerdere keren goederen in beslag worden genomen waarvan wordt vermoed dat dit verdovende middelen zijn. Daarom is de eis van zorgvuldigheid rondom de inbeslagneming, de wijze van verslaglegging en dossiervorming bij een dergelijke gelegenheid naar het oordeel van het hof des te klemmender.
Het hof stelt vast dat in dit geval op de KVI, het proces-verbaal van de indicatieve test en op het rapport van het NFI - naast een omschrijving van het in beslag genomen voorwerp - ter identificatie slechts telkens de naam van verdachte staat vermeld. Op het proces-verbaal van de indicatieve test staat daarnaast ook een dossiernummer vermeld, maar dit nummer komt niet terug op de KVI en in het rapport van het NFI. Op het rapport van het NFI staan een zaaknummer en een SIN nummer vermeld, maar deze nummers komen niet terug op de KVI en in het proces-verbaal van de indicatieve test.
Het hof is van oordeel dat de wijze van aanduiding op de verschillende documenten in dit geval bepaald niet eenduidig is en acht gelet op het voorgaande - juist in verband met de grootschaligheid van het evenement - dan ook onvoldoende vast komen te staan dat de substantie die door het NFI is onderzocht, ook de substantie is die onder verdachte in beslag is genomen. Het hof zal het rapport van het NFI dan ook niet voor het bewijs gebruiken. Voor het overige acht het hof onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig om tot een veroordeling van het ten laste gelegde te komen. Verdachte behoort dan ook te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. A.J. Rietveld, voorzitter,
mr. G.A. Versteeg en mr. E. Pennink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,
en op 22 december 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. E. Pennink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.