Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak heeft de moeder herhaaldelijk verzocht om haar het ouderlijk gezag over haar minderjarige zoon toe te kennen. De minderjarige is sinds zijn tiende levensmaand uit huis geplaatst en woont nu al ruim 6,5 jaar bij pleegouders die hem een veilige en stabiele opvoedingssituatie bieden. De moeder is vanwege haar leeftijd niet bevoegd geweest tot het uitoefenen van het gezag en haar eerdere verzoeken zijn reeds afgewezen.
Het hof toetst het verzoek aan artikel 1:253b lid 5 BW, waarbij het gezag alleen wordt toegekend indien er geen gegronde vrees bestaat dat de belangen van het kind worden verwaarloosd. Uit de feiten blijkt dat de minderjarige een kwetsbaar kind is met hechtingsproblemen en een traag verlopende schoolontwikkeling. De continuïteit en stabiliteit bij de pleegouders zijn cruciaal voor zijn welzijn.
Hoewel de moeder wenst dat de minderjarige op termijn bij haar en de vader opgroeit, is het hof van oordeel dat het belang van het kind bij continuering van de huidige situatie ligt. De onzekerheid en verstoring van het hechtingsproces bij een overgang naar de ouders zou schadelijk zijn. Daarom wordt het verzoek van de moeder afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de moeder om het ouderlijk gezag toe te kennen af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.