ECLI:NL:GHARL:2017:11531

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 december 2017
Publicatiedatum
27 februari 2018
Zaaknummer
21-000851-17
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens geslaagd beroep op noodweer bij mishandeling ondanks voorwaardelijk opzet

Verdachte werd in hoger beroep geconfronteerd met de tenlastelegging van zware mishandeling en mishandeling van een slachtoffer, waarbij hij het slachtoffer met kracht tegen het hoofd zou hebben geslagen en letsel had veroorzaakt. De advocaat-generaal stelde dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de mishandeling, maar dat een noodweersituatie niet aannemelijk was.

Verdachte voerde aan dat hij het slachtoffer niet bewust wilde slaan, maar dat deze per ongeluk werd geraakt toen hij een ander wilde slaan. Tevens stelde hij dat hij handelde uit noodweer omdat hij werd aangevallen door een ander persoon. Het hof onderzocht de getuigenverklaringen en concludeerde dat verdachte werd belaagd door die andere persoon, wat een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding opleverde.

Door de onduidelijkheid over de beschikbare minder verstrekkende middelen om zich te verdedigen, kon het hof niet vaststellen of de reactie van verdachte buiten proportie was. Daarom ging het hof in het voordeel van verdachte uit en sprak hem vrij van zware mishandeling en mishandeling. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde taakstraf werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van zware mishandeling wegens geslaagd beroep op noodweer ondanks voorwaardelijk opzet.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000851-17
Uitspraak d.d.: 29 december 2017
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 2 februari 2017 met parketnummer 08-730493-16 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 08-730720-14, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1997] ,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 15 december 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D. Greven, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij het vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde feit. Hoger beroep tegen deze gegeven vrijspraak staat niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, tenlastegelegd dat:
2
primair
hij op of omstreeks 12 juni 2016 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten twee breuken in een kaak en/of gebitletsel, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] (met kracht) tegen het hoofd te stompen en/of te slaan;
2 subsidiair
hij op of omstreeks 12 juni 2016 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] (met kracht) tegen het hoofd te stompen en/of te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten twee breuken in een kaak en/of gebitletsel, in ieder geval enig letsel ten gevolge heeft gehad.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 2 primair aan verdachte tenlastegelegde. Er was bij verdachte ten minste sprake van voorwaardelijk opzet op de mishandeling van [slachtoffer 1] . Dat van een noodweersituatie sprake was, is niet aannemelijk geworden.
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van opzet op de mishandeling van [slachtoffer 1] . Daartoe is aangevoerd dat verdachte niet de bedoeling had om [slachtoffer 1] te slaan, maar dat deze per ongeluk is geraakt toen verdachte [slachtoffer 2] wilde slaan.
De raadsvrouw heeft voorts bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. Daartoe is aangevoerd dat verdachte werd aangevallen door [slachtoffer 2] en op dat moment was er sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zichzelf mocht verdedigen.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
Vast staat dat verdachte [slachtoffer 1] heeft geslagen ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] letsel aan de kaak heeft opgelopen. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] wilde slaan, maar dat die vuistslag [slachtoffer 1] heeft geraakt. Door uit te halen naar [slachtoffer 2] , in wiens directe nabijheid ook andere personen stonden, zoals verdachte zelf ook heeft verklaard, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een ander dan [slachtoffer 2] door die uithaal geraakt zou kunnen worden en heeft hij die aanmerkelijke kans bewust aanvaard. Aldus is bij verdachte minst genomen sprake van opzet, in de zin van voorwaardelijk opzet, op de mishandeling van [slachtoffer 1] . Het verweer wordt in zoverre verworpen.
Voor noodweer is vereist dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen noodzakelijke verdediging geboden is. Vast staat dat verdachte heeft geslagen en dat [slachtoffer 1] daarbij is geraakt.
Er zijn zowel van de zijde van verdachte als van de zijde van het slachtoffer [slachtoffer 1] diverse getuigen gehoord. Zij hebben onderling afwijkende verklaringen afgelegd. Voor zover mogelijk gaat het hof bij de vaststelling van de feitelijke gang van zaken uit van de lezing van getuige [getuige 1] , die wordt bevestigd door de verklaring van [getuige 2] . Daaruit leidt het hof af dat verdachte werd belaagd door [slachtoffer 2] . Volgens [getuige 1] liep [slachtoffer 2] , nadat hij naar buiten was gegaan, een aantal keren in de richting van verdachte om hem aan te vliegen en haalde hij vervolgens met zijn gebalde vuist uit in de richting van het gezicht van verdachte. [getuige 1] zag dat verdachte de vuistslag kon ontwijken en dat hij naar haar idee vervolgens uit zelfverdediging terugsloeg. Op dat moment kwam [slachtoffer 1] ertussen om [slachtoffer 2] bij verdachte weg te trekken en zag zij dat de vuistslag van verdachte op de kaak van [slachtoffer 1] terechtkwam. Ook [getuige 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 2] op verdachte afliep om hem te slaan en dat verdachte [slachtoffer 2] uit zelfverdediging wilde slaan, maar daarbij [slachtoffer 1] raakte.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat op het moment dat verdachte door [slachtoffer 2] werd belaagd er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.
Vervolgens moet het hof beoordelen of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was en of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was. Uit het dossier kan, door de uiteenlopende inhoud van de verklaringen alsmede door gebrekkig onderzoek, gebrekkige verslaglegging en het langdurige tijdsverloop tussen het incident en sommige verhoren, niet worden opgemaakt of aan verdachte minder verstrekkende middelen ter beschikking stonden om zich tegen de wederrechtelijke aanranding te verdedigen. Derhalve kan het hof niet vaststellen of verdachte had mogen reageren zoals hij heeft gedaan nu de feitelijke situatie daaromtrent onvoldoende duidelijk is geworden.
Het hof gaat er daarom in het voordeel van verdachte vanuit dat hij niet wederrechtelijk heeft gehandeld zodat hij van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo van 18 juni 2015 (parketnummer 08-730720-14) voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 40 uren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Nu verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde.
Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Oost-Nederland van 19 december 2016, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo van 18 juni 2015 (parketnummer 08-730720-14) voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 40 uren.
Aldus gewezen door
mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,
mr. P.R. Wery en mr. A. van Maanen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J. Broersma, griffier,
en op 29 december 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.