Belanghebbende had in hoger beroep beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland die een aanslag inkomstenbelasting over 2012 inclusief belastingrente had bevestigd. De zaak betrof de vraag of een ontvangen tegemoetkoming uit een collectieve compensatieregeling vanwege bovenmatige kosten in levensverzekeringen belastbaar is.
Belanghebbende had in 1995 en 2000 levensverzekeringen afgesloten waarbij koopsommen ten laste van het belastbare inkomen waren gebracht. In 2012 ontving hij een tegemoetkoming van € 589, waarvan € 45 en € 544 betrekking hadden op respectievelijk twee polissen. De inspecteur rekende deze tegemoetkoming tot het belastbare inkomen uit werk en woning.
Het hof oordeelde dat de tegemoetkoming onder artikel 3.102 lid 1 Wet IB 2001 valt en daarmee belast is. De levensverzekeringen kwalificeren als lijfrenten volgens artikel 3.125 Wet IB 2001, waardoor uitkeringen, ook in één keer, belast zijn. De kostencomponent maakt geen uitzondering. Het beroep faalt ook voor het standpunt dat belastingheffing onredelijk zou zijn, omdat de rechter de billijkheid van de wet niet kan toetsen.
Daarnaast wees het hof het verzoek af om een correctie van een extra storting van € 735,93 in aftrek te brengen, omdat deze niet door belanghebbende was betaald. Het hoger beroep strekte mede tot vermindering van het verzamelinkomen en belastingrente, maar zonder vermindering van het belastbare inkomen blijven deze ongewijzigd. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard.
Er is geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegewezen. De uitspraak is gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden op 21 februari 2017.