ECLI:NL:GHARL:2017:1481

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 februari 2017
Publicatiedatum
21 februari 2017
Zaaknummer
WAHV 200.166.946
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Anjewierden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 WAHVArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens te late indiening in WAHV-zaken

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen beslissingen van de kantonrechter Amsterdam waarin beroepen van betrokkene tegen WAHV-beschikkingen werden afgewezen wegens te late indiening.

De betrokkene had de beroepen pas ruim na de wettelijke termijn van zes weken ingediend, waarbij werd betoogd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege gebrekkige postbezorging en financiële omstandigheden. Het hof oordeelde echter dat betrokkene geen adequate maatregelen had genomen om postontvangst te waarborgen en dat de overschrijding daarom niet verschoonbaar was.

Verder verwierp het hof het beroep op het EVRM-recht op toegang tot de rechter, omdat de beroepstermijn zelf geen onrechtmatige beperking vormt en betrokkene steeds de mogelijkheid had om tijdig beroep in te stellen. De motivering van de officier van justitie werd als voldoende beoordeeld.

Het hof bevestigde de beslissingen van de kantonrechter en wees het verzoek tot vergoeding van kosten af. Een kennelijke verschrijving in twee beslissingen werd als niet-relevant voor het belang van betrokkene beoordeeld.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen wegens overschrijding van de beroepstermijn en wijst het verzoek tot kostenvergoeding af.

Uitspraak

WAHV 200.166.946, 200.166.955, 200.166.956, 200.166.958 en 200.166.961
21 februari 2017
CJIB 165112735, 157095422, 147307091, 154543363 en 157046376
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissingen
van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam
van 11 december 2014
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [plaats],
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde],
advocaat te [plaats].

De beslissingen van de kantonrechter

De kantonrechter heeft in voormelde zaken het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing telkens ongegrond verklaard.
Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissingen van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.
De advocaat-generaal heeft verweerschriften ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld de beroepen schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft in alle zaken geoordeeld dat het beroep tegen de inleidende beschikking niet tijdig is ingesteld en dat de officier van justitie daarom telkens terecht dat beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene is toegezonden.
3. In de onderhavige zaken zijn de inleidende beschikkingen op de volgende data verzonden, waardoor telkens zes weken na die datum de beroepstermijn is verstreken:
- inzake CJIB-nummer
165112735
op
16 november 2012
(28 december 2012);
- inzake CJIB-nummer
157095422
op
22 november 2011
(3 januari 2012);
- inzake CJIB-nummer
147307091
op
19 mei 2011
(30 juni 2011);
- inzake CJIB-nummer
154543363
op
22 augustus 2011
(3 oktober 2011);
- inzake CJIB-nummer
157046376
op
2 mei 2012
(13 juni 2012).
4. Pas bij brief van 24 april 2013, bij de CVOM ontvangen op 25 april 2013, is namens de betrokkene tegen deze beschikkingen administratief beroep ingesteld. Dit is te laat.
5. Artikel 6:11 van Pro de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
6. De gemachtigde betoogt dat sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Vanwege gebrekkige postbezorging op het woonadres van de betrokkene – poststukken worden samen met stukken voor andere bewoners in een gemeenschappelijk trapportaal gedeponeerd – was de betrokkene niet bij machte tijdig beroep in te stellen. De betrokkene heeft geen bestaansmiddelen en woont bij zijn ouders. Hij is dus niet in staat om een eigen woning met een goede brievenbus te verwerven. De gemachtigde betwist dat het de verantwoordelijkheid van de betrokkene is om ervoor zorg te dragen dat post hem bereikt. Voor de betrokkene dreigt mogelijk gijzeling. Uit jurisprudentie van het EHRM blijkt dat er een inhoudelijke toets van de sancties moet kunnen plaatsvinden alvorens tot gijzeling wordt overgegaan. Adequate toegang tot de rechter mag de betrokkene niet worden ontzegd. Deze toegang feitelijk afhankelijk stellen van iemands financiële situatie en leefomstandigheden, is niet toegestaan. De betrokkene is bovendien verkeerd voorgelicht door het openbaar ministerie. In de beschikkingen staat slechts dat binnen zes weken beroep moet worden ingesteld, zonder dat op de mogelijkheid van verschoonbare termijnoverschrijding wordt gewezen. Was dit wel het geval geweest, dan had de betrokkene zo spoedig mogelijk na kennisname van de boetes bezwaar gemaakt. De gemachtigde maakt verder bezwaar tegen de summiere motivering van de beslissingen van de officier van justitie. Van het beroep op verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding lijkt geen kennis te zijn genomen. Verder brengt de gemachtigde inhoudelijke bezwaren naar voren tegen de opgelegde sancties.
7. Ten aanzien van een eventuele verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, overweegt het hof dat de door de gemachtigde geschetste omstandigheden het beroep daarop niet rechtvaardigen. Gesteld noch gebleken is immers dat de betrokkene inspanningen heeft verricht om een oplossing voor de (kennelijk stelselmatige) problemen met de postbezorging te bewerkstelligen. Dit lag wel op zijn weg. Eenieder wordt geacht op het adres waarop hij in het basisregister is ingeschreven bereikbaar te zijn voor brieven van instanties, waaronder beschikkingen van het CJIB. Dat de betrokkene heeft nagelaten adequate maatregelen te nemen om een behoorlijke postbezorging te verzekeren, komt voor zijn rekening.
8. Ten aanzien van het beroep van de gemachtigde op jurisprudentie van het EHRM, overweegt het hof dat sancties ingevolge de WAHV naar vaste rechtspraak gelden als een ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. Ook in WAHV-procedures komt een betrokkene dus een beroep toe op de waarborgen die uit dit verdrag voortvloeien, waaronder een behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht.
Dit recht op toegang tot de rechter is blijkens vaste jurisprudentie van het Europese Hof echter niet onbegrensd (vgl. EHRM 8 juli 1986, nr. 9006/80, Lithgow en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, Series A no. 102, punt 194). Reeds eerder is geoordeeld dat het stellen van een beroepstermijn op zichzelf geen ongerechtvaardigde beperking is van het recht op toegang tot de rechter (vgl. het arrest van het hof van 5 februari 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:825). Voor de betrokkene stond bij iedere beschikking een rechtsgang open die van de door het EVRM vereiste waarborgen is voorzien. Dat de betrokkene van deze mogelijkheid telkens geen gebruik heeft gemaakt, maakt niet dat hem het recht op toegang tot een rechter is ontzegd.
9. De stelling van de gemachtigde dat op de inleidende beschikking de mogelijkheid van verschoonbare termijnoverschrijding moet worden vermeld, volgt het hof niet. Wanneer in een concrete zaak uiteen wordt gezet waarom het beroep te laat is ingesteld, wordt ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb getoetst of dit de termijnoverschrijding verschoonbaar doet zijn. Nog daargelaten dat een kortere overschrijding van de beroepstermijnen in dit geval niet tot een ander oordeel had geleid, schrijft geen rechtsregel voor dat een betrokkene vooraf op het bestaan van deze bepaling moet worden gewezen.
10. Het verweer van de gemachtigde dat de beslissingen van de officier van justitie onvoldoende zijn gemotiveerd, zal het hof verwerpen. Door de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren vanwege termijnoverschrijding, heeft de officier van justitie afdoende tot uitdrukking gebracht dat van verschoonbaarheid van de overschrijding geen sprake is.
11. Het hof concludeert dat uit hetgeen is aangevoerd niet volgt dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. De kantonrechter heeft de beroepen dan ook terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de bestreden beslissingen daarom bevestigen. Dit brengt mee dat het hof niet kan toekomen aan een beoordeling van de bezwaren van de betrokkene tegen de opgelegde sancties.
12. Het hof merkt nog op dat de klacht van de gemachtigde dat door de kantonrechter in twee beslissingen op hetzelfde CJIB-nummer is geoordeeld ongegrond is. Gelet op de overige gedingstukken is evident sprake van een kennelijke verschrijving. De betrokkene is hierdoor niet in enig rechtens te respecteren belang geschaad.
13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissingen van de kantonrechter;
wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Anjewierden, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.