Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2011 en 2013, die sinds februari 2015 bij pleegouders verblijven. De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Overijssel van 23 augustus 2016, waarin de verlenging van de uithuisplaatsing werd bevestigd.
De moeder stelde vier grieven aan de orde, waaronder het niet ontvangen van een rapport over de vader, de gronden voor verlenging en het perspectief van de kinderen. De eerste grief werd door haar ingetrokken omdat ook het hof niet beschikte over het rapport. Het hof constateerde dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de ouders sinds mei 2016 niet neutraal met elkaar communiceerden, omdat de periode in het teken stond van een forensisch psychologisch onderzoek.
Het hof oordeelde dat het perspectief van de kinderen niet bij de moeder ligt, mede vanwege hun traumatische achtergrond en de voortdurende strijd tussen de ouders die onveiligheid veroorzaakt. Het uitgebreide deskundigenonderzoek ondersteunde dit oordeel. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot 11 februari 2017 werd daarom bekrachtigd. De moeder werd niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot niet-ontvankelijkheid van de GI en haar verzoek tot thuisplaatsing werd afgewezen.
Uitkomst: De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen wordt bekrachtigd en het hoger beroep van de moeder wordt afgewezen.