Belanghebbende, een vastgoedmaatschappij, verkocht in het eerste kwartaal van 2011 twee onroerende zaken die onderdeel waren van een schikking met haar bank vanwege beëindiging van een kredietfaciliteit. De verkoopopbrengst, inclusief omzetbelasting, werd volledig aangewend ter aflossing van de kredietfaciliteit. Belanghebbende gaf de omzetbelasting niet aan in het eerste kwartaal, maar pas in het tweede kwartaal van 2011, waarna een naheffingsaanslag en boete werden opgelegd.
Belanghebbende stelde dat de verleggingsregeling van toepassing was, waardoor zij geen omzetbelasting verschuldigd zou zijn. Het hof oordeelde dat de verleggingsregeling niet van toepassing was omdat geen sprake was van executie van zekerheid of een aan een oneigenlijke lossing gelijk te stellen situatie. De afspraken met de bank wezen op een bredere regeling waarbij de bank de volledige opbrengst ontving en kwijtschelding van de resterende schuld plaatsvond.
Het hof stelde vast dat belanghebbende wist van de verschuldigdheid van de omzetbelasting en dat de aangifte over het eerste kwartaal onjuist was. Er was sprake van grove schuld, waardoor de vergrijpboete terecht werd opgelegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.