Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Rijsholt B.V.,
Amerswoud B.V.,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellanten, beiden aandeelhouder en bestuurder van een holdingmaatschappij, vorderden in hoger beroep dat schuldeisers Rijsholt en Amerswoud verplicht zouden worden in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De rechtbank had dit verzoek afgewezen omdat de schuldeisers een reëel belang hadden bij weigering en het aanbod onvoldoende onderbouwd was.
Het hof overwoog dat op grond van artikel 287a lid 5 Faillissementswet een schuldeiser in redelijkheid tot weigering kan komen indien het belang van de schuldeiser zwaarder weegt dan dat van de schuldenaar. Appellanten hadden geen gedetailleerd, financieel onderbouwd voorstel overlegd, noch aangetoond dat het aanbod het maximaal haalbare was.
Ook ontbrak inzicht in de positie van andere schuldeisers, waaronder de Rabobank, en was onduidelijk hoe de hypotheekverplichtingen werden afgewikkeld. Het hof concludeerde dat het belang van de schuldeisers om volledige betaling te ontvangen zwaarder woog dan het belang van appellanten bij het afdwingen van het akkoord.
Daarom werd het vonnis van de rechtbank bevestigd en het verzoek van appellanten afgewezen. Het arrest werd op 20 maart 2017 uitgesproken door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek van appellanten af om schuldeisers te dwingen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.