Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
de moeder,
de GI.
de pleegouders.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen beslissingen van de rechtbank Overijssel inzake de machtiging tot uithuisplaatsing van haar minderjarige kind en de schriftelijke aanwijzing die de omgang tussen moeder en kind beperkt.
De moeder verzocht de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing te vernietigen en een ruimere omgangsregeling vast te stellen. Het hof oordeelde dat de uithuisplaatsing noodzakelijk blijft vanwege het belast verleden van het kind, de kwetsbare ontwikkeling en het belang van continuïteit in het pleeggezin. Onderzoek naar terugplaatsing acht het hof niet meer relevant omdat de aanvaardbare termijn voor onzekerheid is verstreken.
Ten aanzien van de schriftelijke aanwijzing oordeelde het hof dat de e-mail van 18 februari 2016 niet zorgvuldig tot stand is gekomen, met schending van de hoorplicht en onvoldoende motivering, en verklaarde deze aanwijzing vervallen. De latere schriftelijke aanwijzing van 31 januari 2017 voldoet wel aan de zorgvuldigheidseisen en blijft van kracht. Het hof bekrachtigde de verlenging van de uithuisplaatsing en vernietigde de beschikking over de schriftelijke aanwijzing van 18 februari 2016.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd en de schriftelijke aanwijzing van 18 februari 2016 wordt vervallen verklaard.