Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak staat de omgangsregeling tussen een moeder en haar minderjarige kind centraal, na beëindiging van het ouderlijk gezag en benoeming van een voogd. De rechtbank had de omgangsregeling gewijzigd van eenmaal per drie weken naar eenmaal per vier tot zes weken bij de pleegouders, wat de moeder betwistte en in hoger beroep ging.
De moeder verzocht om uitbreiding van de omgangsregeling, maar dit verzoek werd afgewezen omdat het niet voor het eerst in hoger beroep kon worden ingediend. Het hof beperkte zich tot de vraag of de verlaging van de omgangsfrequentie in het belang van het kind was.
De minderjarige is gediagnosticeerd met een reactieve hechtingsstoornis van het gedesorganiseerde type, wat leidt tot chaotisch en angstig gedrag, vooral in de aanwezigheid van de moeder. Hulpverleners adviseerden de omgangsfrequentie te verlagen om het kind voldoende herstel- en rusttijd te geven. De pleegouders bevestigden dat de rust bij het kind was toegenomen sinds de verlaging.
Het hof oordeelde dat de verlaging van de omgangsfrequentie noodzakelijk is in het belang van het kind en bevestigde de beschikking van de rechtbank. De omgangsregeling blijft dus beperkt tot eenmaal per vier tot zes weken, wat een balans biedt tussen het belang van het kind en de moeder.
Uitkomst: Het hof bevestigt de beperking van de omgangsregeling tot eenmaal per vier tot zes weken in het belang van het kind.