Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Overijssel tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige tot 17 september 2017. De vader betwistte de verlenging en stelde dat niet voldaan was aan de wettelijke gronden, onder meer omdat hij meent dat de omgangsregeling beter vrijwillig begeleid kan worden.
De gecertificeerde instelling (GI) en de moeder voerden verweer en benadrukten de aanhoudende problematiek rondom de omgang tussen vader en minderjarige, waarbij de vader afspraken niet nakomt en een dwingende houding aanneemt. Dit leidt tot spanning en teleurstelling bij de minderjarige en moeder.
Het hof oordeelde dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd door de verstoorde verhouding tussen de ouders en de omgangsproblemen. De moeder is kwetsbaar door een niet aangeboren hersenletsel en kan de vader niet adequaat weerstaan. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om professionele hulpverlening te organiseren en de omgang te stroomlijnen.
Hoewel de ondertoezichtstelling een tijdelijke maatregel is en niet bedoeld om het gezamenlijk gezag in stand te houden, acht het hof het noodzakelijk dat de GI onderzoekt of aanpassing van de omgangsregeling wenselijk is en of op termijn een andere gezagsvorm moet worden overwogen.
Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en verlenging van de ondertoezichtstelling voor de genoemde periode.
Uitkomst: De verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 17 september 2017 is bekrachtigd.