ECLI:NL:GHARL:2017:3239

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 april 2017
Publicatiedatum
18 april 2017
Zaaknummer
200.206.602/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 2 BWArt. 1:255 lid 1 BWArt. 1:260 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens verstoorde omgangsrelatie ouders

De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Overijssel tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige tot 17 september 2017. De vader betwistte de verlenging en stelde dat niet voldaan was aan de wettelijke gronden, onder meer omdat hij meent dat de omgangsregeling beter vrijwillig begeleid kan worden.

De gecertificeerde instelling (GI) en de moeder voerden verweer en benadrukten de aanhoudende problematiek rondom de omgang tussen vader en minderjarige, waarbij de vader afspraken niet nakomt en een dwingende houding aanneemt. Dit leidt tot spanning en teleurstelling bij de minderjarige en moeder.

Het hof oordeelde dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd door de verstoorde verhouding tussen de ouders en de omgangsproblemen. De moeder is kwetsbaar door een niet aangeboren hersenletsel en kan de vader niet adequaat weerstaan. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om professionele hulpverlening te organiseren en de omgang te stroomlijnen.

Hoewel de ondertoezichtstelling een tijdelijke maatregel is en niet bedoeld om het gezamenlijk gezag in stand te houden, acht het hof het noodzakelijk dat de GI onderzoekt of aanpassing van de omgangsregeling wenselijk is en of op termijn een andere gezagsvorm moet worden overwogen.

Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en verlenging van de ondertoezichtstelling voor de genoemde periode.

Uitkomst: De verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 17 september 2017 is bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.206.602/01
(zaaknummer rechtbank C/08/189444/ JE RK 16-1290)
beschikking van 11 april 2017
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [A] (Duitsland),
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: voorheen mr. S.H.J. van der Linden, thans J.H.M. Handring te Venlo,
en
de gecertificeerde instelling
Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
gevestigd te Zutphen,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI,
en
[verweerster] ,
wonende te [B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. I. Petkovski, kantoorhoudend te Deventer.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 15 september 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 15 december 2016;
- het verweerschrift van de moeder;
- het verweerschrift van de GI met productie(s);
- een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna de raad) van 5 januari 2017 met de mededeling dat de raad niet beschikt over recente rapportages;
- een journaalbericht van mr. Van der Linden van 25 januari 2017 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Van der Linden van 21 februari 2017.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 13 maart 2017 plaatsgevonden. De ouders zijn niet in persoon verschenen. De vader is ter zitting vertegenwoordigd door mr. Handring, de moeder door mr. Petkovski. Namens de GI is verschenen mevrouw [C] , de jeugdbeschermer.

3.De vaststaande feiten

3.1
Uit de relatie die de vader en de moeder hebben gehad is [in] 2007 [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) geboren. De vader heeft [de minderjarige] erkend en de ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder sinds de ouders hun relatie in juni 2008 hebben beëindigd.
3.2
Bij beschikking van 17 september 2008 heeft de kinderrechter in de rechtbank Assen [de minderjarige] voor een jaar onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Drenthe (BJZ). Per 1 februari 2009 heeft de GI de ondertoezichtstelling van BJZ overgenomen. De termijn van de ondertoezichtstelling is sindsdien steeds verlengd.
3.3
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling verlengd tot 17 september 2017.

4.De omvang van het geschil

4.1
De vader is met één algemene grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 september 2016. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader verzoekt het hof de beschikking van 15 september 2016 te vernietigen en alsnog het verlengingsverzoek van de GI af te wijzen, kosten rechtens.
4.2
Zowel de moeder als de GI hebben verweer gevoerd. Ze verzoeken het hof het hoger beroep van de vader af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ter beoordeling staat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met ingang van 17 september 2016 tot 17 september 2017.
5.2
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.3
De vader kan zich met de verlenging van de ondertoezichtstelling niet verenigen omdat volgens hem – kort gezegd – niet wordt voldaan aan de wettelijke gronden voor een ondertoezichtstelling. De vader herkent de door de GI genoemde ontwikkelingsbedreigingen niet. Hij wijst erop dat er sprake is van een langdurige, zogeheten omgangs-ondertoezichtstelling, terwijl deze geenszins bijdraagt aan een positief verloop van de omgang tussen hem en [de minderjarige] en uiteindelijk in het nadeel van [de minderjarige] is. De vader stelt niet tegen hulpverlening te zijn, maar hij wordt - zo stelt hij - door de GI niet serieus genomen in zijn belangen als vader van [de minderjarige] en bewust buiten beeld gehouden. De noodzakelijke hulp bij de omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] zou volgens de vader beter in een vrijwillig kader kunnen worden gerealiseerd door het inschakelen van een andere professionele instantie.
5.4
De GI heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De GI is van mening dat het in het belang van [de minderjarige] is om de ondertoezichtstelling te verlengen. De GI wijst op de aanhoudende zorgen die er zijn over het verloop van de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de vader. De ouders zijn, aldus de GI, onvoldoende in staat zelfstandig gezamenlijke beslissingen te nemen die in het belang van [de minderjarige] zijn. Evenmin zijn de ouders in staat om zelfstandig met elkaar te communiceren op een wijze die niet belastend is voor [de minderjarige] . De GI constateert dat [de minderjarige] veel last heeft van de aanhoudende problematiek omtrent de omgang en de verschillende opvoedingsstijlen van zijn ouders.
De vader komt de huidige, door de GI in het belang van [de minderjarige] bij schriftelijke aanwijzing van 26 februari 2016 in duur beperkte omgangsregeling van een dagdeel (5 uur) per 3 weken regelmatig niet na, zonder tevoren de afspraken af te zeggen of achteraf opgave van redenen te doen. Hierdoor heeft [de minderjarige] veel teleurstelling te verwerken. Ook de belafspraken komt de vader met enige regelmaat niet na. Dit zorgt voor extra teleurstelling, onduidelijkheid en onrust bij [de minderjarige] . Daarnaast verlopen de wisselmomenten vaak niet goed, doordat de vader heel dwingend naar de moeder is en bijvoorbeeld om geld vraagt, terwijl de moeder totaal niet is opgewassen tegen de vader. Dit levert veel spanning op voor zowel de moeder als [de minderjarige] . Het belangrijkste doel van de ondertoezichtstelling is volgens de GI dan ook de omgang met vader te stroomlijnen. In het bijzonder moet de vader begrensd worden in zijn handelen naar de moeder en [de minderjarige] , anders walst de vader over hen heen. De GI acht het in het belang van [de minderjarige] dat er een jeugdbeschermer betrokken blijft die dit proces kan begeleiden. De GI wijst erop dat de ervaring is dat de vader weigert mee te werken aan hulpverlening op vrijwillige basis. De vader is niet in staat om te luisteren naar wat de ander heeft te inbrengen.
5.5
De moeder heeft – kort samengevat – verzocht de ondertoezichtstelling te verlengen. Zij maakt zich zorgen om [de minderjarige] en stelt dat de vader door zijn dwingende en eisende handelwijze onvoldoende naar de belangen van [de minderjarige] kijkt. Het is de vader zelf die de omgang heeft belemmerd door afspraken niet na te komen. [de minderjarige] heeft daar last van.
Door de regie in handen van de GI te laten kunnen de belangen van alle partijen, alsmede het belang van [de minderjarige] , worden gewaarborgd, aldus de moeder.
5.6
Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat, anders dan de vader aanvoert, de gronden voor de ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn.
Het hof is van oordeel dat [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] zijn gelegen in de verstoorde verhouding tussen de ouders en in de aanhoudende problematiek rondom de omgangsregeling tussen [de minderjarige] en zijn vader.
Uit de stukken blijkt dat [de minderjarige] last heeft van de situatie met betrekking tot zijn vader en de omgang en de onduidelijkheid die dat met zich mee brengt. Hij dreigt, steeds meer, klem te komen zitten tussen zijn ouders. Enerzijds speelt dat de vader een instelling heeft waarbij hij zich niets laat zeggen en anderzijds dat de moeder kwetsbaar is. Zij is beperkt door een niet aangeboren hersenletsel waardoor zij een langere verwerkingstijd van informatie nodig heeft. De vader is bang dat hij zijn positie als vader verliest en positioneert zich sterk als ouder met gezag, maar hij kan daarbij onvoldoende afstemmen op het belang van [de minderjarige] . De vader communiceert stellig maar warrig en sluit daarmee nauwelijks aan op de mogelijkheden van de moeder. De moeder is kwetsbaar en angstig voor overleg met de vader. Zij wil dat de jeugdbeschermer duidelijkheid creëert naar de vader toe en deze eventueel vast legt, zodat zij geen grens hoeft te stellen naar de vader toe.
5.7
[de minderjarige] laat problematisch gedrag zien. Hij heeft moeite met zijn agressie regulatie en is hiervoor aangemeld bij een trainingscentrum. Op dit moment neemt hij deel aan een therapiegroep " [D] " bij een kindertherapeut.
Op school gaat het goed, maar hij heeft vanwege gedragsproblemen begrenzing en een strakke structuur nodig. Dat is moeilijk voor de moeder en zij krijgt daarvoor praktische en opvoedkundige ondersteuning. De moeder accepteert de hulpverlening heel goed. De jeugdbeschermer heeft ter zitting van het hof aangegeven verbetering te zien.
5.8
Het hof is - evenals de GI - van oordeel dat de bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] (vooralsnog) niet op een andere manier dan via de ondertoezichtstelling kan worden weggenomen, omdat de ouders niet in staat zijn in het belang van [de minderjarige] te communiceren.
Het hof acht professionele en deskundige hulp voor [de minderjarige] dan ook dringend geboden, mede nu niet aannemelijk is dat hulpverlening in een vrijwillig kader (eventueel met inschakeling van een andere professionele instantie om de omgang te begeleiden) effect zal hebben. Bij dit laatste overweegt het hof dat de vader moeite heeft met luisteren naar de adviezen van hulpverleners, terwijl de vader toch begrenzing nodig heeft vanwege zijn dominante gedrag richting [de minderjarige] en de moeder, aangezien de moeder daartegen niet opgewassen is.
Het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling biedt daarom de juiste basis om de hulpverlening die [de minderjarige] (en de moeder) nodig heeft te organiseren.
5.9
Het hof constateert dat het ondanks het tijdsverloop en de vele ingezette hulpverlening tot op heden niet is gelukt om de bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] structureel te verminderen. Dit roept de vraag op in hoeverre thans nog de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders, binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
Hoewel de jeugdbeschermer ervoor kan zorgen dat de ouders niet in direct contact met elkaar hoeven te komen, is het doel van een ondertoezichtstelling niet om op een dergelijke wijze het gezamenlijk gezag tussen de ouders in stand te houden. Bovendien is een ondertoezichtstelling naar zijn aard een tijdelijke maatregel en niet bedoeld om eindeloos te verlengen.
Het hof is daarom van oordeel dat in het kader van de ondertoezichtstelling in het ontwikkelingsbelang van [de minderjarige] verder ingezet dient te worden op het tot stand brengen van een systeem waarbinnen [de minderjarige] op een rustige manier kan opgroeien. De GI dient dan ook nader de voor- en de nadelen van de omgang in de huidige vorm te onderzoeken en met name of aanpassing wenselijk is. Verder zal, indien moet worden geconcludeerd dat de hiervoor genoemde verwachting niet gerechtvaardigd is (dat de ouders binnen een aanvaardbaar te achten termijn in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] ) moeten worden onderzocht of behoort te worden toegewerkt naar een andere vorm van gezag.

6.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

7.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 15 september 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, I.A. Vermeulen en M.A.L.M Willems, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 11 april 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.