ECLI:NL:GHARL:2017:3350

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 april 2017
Publicatiedatum
20 april 2017
Zaaknummer
200.206.756/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 14 IVBPRArt. 512 SvWet administratieve handhaving verkeersvoorschriften
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheer wegens vermeende partijdigheid in WAHV-zaak

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen een raadsheer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een hoger beroep inzake de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (WAHV). Verzoeker stelde dat de raadsheer partijdig was omdat hij een medewerker van de leverancier van de snelheidsmeetapparatuur had gevraagd aanvullende vragen te beantwoorden, wat volgens verzoeker neerkwam op het laten keuren van eigen werk.

De wrakingskamer oordeelde dat wraking alleen mogelijk is bij het stellen van concrete feiten of omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid vormen. Het subjectieve vermoeden van verzoeker volstaat niet. De beslissing van de raadsheer om nadere informatie te vragen werd juist gezien als het serieus nemen van bezwaren.

Ook het argument dat de raadsheer in andere zaken nadelig voor verzoeker had beslist, gaf geen aanleiding tot wraking. De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond en wees het verzoek af zonder verzoeker te horen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheer is afgewezen wegens gebrek aan feitelijke onderbouwing voor partijdigheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
wrakingskamer
zaaknummer gerechtshof 200.206.756

beslissing van 3 april 2017

op het (schriftelijke) verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [A] , [a-straat] 75, [A] ,
verzoeker in het wrakingsincident,
hierna:
verzoeker,
dat strekt tot wraking van:

mr. P.W.J. Sekeris,

raadsheer in dit hof, locatie Leeuwarden,
verweerder in het wrakingsincident.

Het verloop van de procedure

In de zaak betreffende de behandeling van het hoger beroep van verzoeker ingevolge de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) met het nummer 200.152.043, heeft de enkelvoudige kamer van het hof op 8 december 2016 een tussenbeslissing genomen.
Verzoeker heeft naar aanleiding van deze beslissing bij brief van 23 december 2016 een verzoek gedaan dat strekt tot wraking van bovengenoemde raadsheer.
Mr. Sekeris heeft niet in de wraking berust en heeft op 2 maart 2017 per e-mail op het wrakingsverzoek gereageerd.
Het wrakingsverzoek is ter zitting van 23 maart 2017 behandeld door de wrakingskamer. Verzoeker is bij deze behandeling verschenen en heeft het wrakingsverzoek mondeling toegelicht.

De beoordeling van het verzoek

Ontvankelijkheid
De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en acht verzoeker ook overigens ontvankelijk.
Gronden
Het hoger beroep van verzoeker in voornoemde WAHV-zaak is gericht tegen de juistheid en betrouwbaarheid van een verrichte snelheidsmeting. Volgens verzoeker is de gebruikte methode en techniek voor het verrichten van de snelheidsmeting niet volmaakt en is de meting niet betrouwbaar. Naar aanleiding van dit betoog heeft mr. Sekeris, als voorzitter van de enkelvoudige kamer van het hof, op 8 december 2016 beslist dat een medewerker van Gatsometer B.V. aanvullende vragen dient te beantwoorden.
Blijkens het schriftelijke wrakingsverzoek en de mondelinge toelichting daarop is verzoeker van mening dat deze beslissing getuigt van partijdigheid. Gatsometer B.V. is de leverancier van de betreffende apparatuur en derhalve niet objectief. Mr. Sekeris laat op deze manier de slager zijn eigen vlees keuren en daarmee is de uitkomst van het hoger beroep reeds op voorhand duidelijk, aldus verzoeker. Dat mr. Sekeris in een aantal andere zaken telkens in het nadeel heeft beslist van de betrokkenen die hoger beroep hadden ingesteld, sterkt verzoeker in zijn overtuiging dat in zijn nadeel zal worden beslist.
Standpunt verweerder
Mr. Sekeris heeft per e-mailbericht van 2 maart 2017 op het wrakingsverzoek gereageerd. Volgens hem levert hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen te honoreren grond voor wraking op, nu het middel van wraking niet bedoeld is om op te komen tegen een betrokkene niet welgevallige (tussen)beslissingen. Ook in hetgeen verzoeker met betrekking tot oordelen in andere zaken heeft aangevoerd, ziet mr. Sekeris geen reden voor wraking.
Beoordeling
Bij de beoordeling van het verzoek stelt de wrakingskamer het volgende voorop.
Op grond van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en
artikel 14 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv Pro hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.
Voorts is van belang dat het middel van wraking niet een verkapt rechtsmiddel kan zijn tegen de verzoeker onwelgevallige (processuele) beslissingen. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of deze beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende motiveringen inhoudelijk juist zijn, maar te onderzoeken of deze beslissingen en motiveringen feiten en omstandigheden opleveren waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Slechts indien de genomen beslissingen zo onbegrijpelijk zijn dat redelijkerwijs daarvoor geen andere verklaring dan vooringenomenheid is te geven, bestaat aanleiding om vooringenomenheid te vermoeden.
Hiervan is in de onderhavige zaak geen sprake. De beslissing van mr. Sekeris om een medewerker van Gatso B.V. om nadere informatie te vragen getuigt op geen enkele wijze van vooringenomenheid. Integendeel: deze beslissing geeft er blijk van dat verzoekers bezwaren tegen de gebruikte meetmethode serieus genomen worden en nader onderzoek verdienen. Er is geen reden om op voorhand aan te nemen dat het hof zich bij het standpunt van Gatsometer B.V. zal aansluiten.
Voorts kan uit hetgeen verzoeker heeft aangevoerd omtrent de andere zaken waarin mr. Sekeris als enkelvoudige kamer van het hof heeft beslist, niet worden afgeleid dat er sprake is van een min of meer permanente vorm van gebrek aan onpartijdigheid in de zaak van verzoeker, nu daar niet meer uit blijkt dan dat de betrokkenen in het ongelijk zijn gesteld.
De conclusie uit het voorgaande is dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen grond vormt voor wraking, zodat de wrakingskamer het verzoek daartoe zal afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof (wrakingskamer):
wijst het verzoek tot wraking van mr. Sekeris af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. W.P.M. ter Berg, J.H. Kuiper en R.E. Weening, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Akkerman in het openbaar uitgesproken op 3 april 2017.