Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2017:3664

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
1 mei 2017
Publicatiedatum
1 mei 2017
Zaaknummer
WAHV 200.173.160
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 72 WVW 1994Artikel 11 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging administratieve sanctie wegens verlopen APK-keuringsbewijs door bijzondere omstandigheden

In deze zaak stond de betrokkene terecht in hoger beroep tegen een administratieve sanctie van €130,- opgelegd wegens het niet tijdig verlengen van het keuringsbewijs van haar voertuig. De overtreding betrof het rijden met een voertuig waarvan het keuringsbewijs op 13 juli 2013 was verlopen, terwijl de controle plaatsvond op 16 september 2013.

De betrokkene stelde dat zij op 16 augustus 2013 een aangetekende brief naar de RDW had gestuurd om de registratie van het voertuig te beëindigen vanwege demontage. Door een foutieve bezorging van een verzoek om aanvullende informatie door de RDW werd zij hiervan pas eind september op de hoogte gesteld. Direct daarna heeft zij de benodigde informatie alsnog aangetekend verstuurd en is het voertuig op 15 oktober 2013 afgemeld.

Het hof erkende dat de overtreding had plaatsgevonden, maar achtte de omstandigheden waaronder de gedraging was verricht zodanig dat matiging van de sanctie gerechtvaardigd was. De betrokkene mocht erop vertrouwen dat de RDW de registratie zou beëindigen of tijdig zou informeren. Door de vertraging buiten haar schuld was zij niet tijdig op de hoogte. Daarom matigde het hof de sanctie tot €65,- en bepaalde dat dit bedrag gerestitueerd wordt.

Uitkomst: De administratieve sanctie wegens verlopen keuringsbewijs is gematigd tot €65,- vanwege bijzondere omstandigheden.

Uitspraak

WAHV 200.173.160
1 mei 2017
CJIB 175694584
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland
van 22 mei 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 16 september 2013 met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene heeft aangevoerd dat zij op 16 augustus 2013 een aangetekende brief met de originele kentekenpapieren naar de RDW gestuurd heeft met het verzoek de registratie te beëindigen in verband met sloop/demonteren van het voertuig. De auto is in augustus 2013 gedemonteerd. De RDW heeft op 27 augustus 2013 om aanvullende informatie verzocht, maar door het verkeerd bezorgen van die brief heeft zij dit pas eind september vernomen. Zij heeft meteen de RDW gebeld en de aanvullende informatie op 30 september 2013 aangetekend verstuurd. De auto is pas op 15 oktober 2013 afgemeld, omdat dit niet met terugwerkende kracht mogelijk was. De betrokkene voert voorts aan dat het bedrag voor haar als alleenstaande moeder onbetaalbaar is.
3. Blijkens het zaakoverzicht van het CJIB heeft het keuringsbewijs voor het voertuig met voormeld kenteken zijn geldigheid op 13 juli 2013 verloren. Niet in geschil is dat op de datum waarop de registercontrole is uitgevoerd, 16 september 2013, het keuringsbewijs van het voertuig was verlopen. Derhalve staat vast dat de gedraging is verricht. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er sprake is van omstandigheden die het opleggen van een sanctie niet billijken dan wel matiging van die sanctie rechtvaardigen.
4. Het hof stelt voorop dat er op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de verzekeringsplicht een zorgplicht bestaat voor kentekenhouders, om tijdig hun voertuig te laten keuren, ongeacht of dat op de weg wordt gebruikt. Deze verplichting geldt slechts niet indien (gedurende een bepaalde periode), de geldigheid van de tenaamstelling is geschorst. Het in strijd met artikel 72 van Pro de WVW 1994 niet voldoen aan de keuringsplicht, terwijl de geldigheid van de tenaamstelling niet is geschorst zoals hier rechtvaardigt op zichzelf reeds het opleggen van een administratieve sanctie. Dit betekent dat de aangevoerde omstandigheden niet leiden tot het oordeel dat het opleggen van een sanctie niet billijk is.
5. De in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen als de onderhavige brengt voorts mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie en dat slechts bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen geven om van het voor de gedraging vastgestelde tarief af te wijken.
6. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is naar het oordeel van het hof in dit geval sprake. De door de betrokkene opgegeven reden voor het niet voldoen aan de keuringsplicht zijn door de advocaat-generaal niet weersproken. Het hof acht deze omstandigheden voldoende aannemelijk geworden. Onder de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden mocht zij ervan uit gaan dat de RDW het voertuig van haar naam zou halen of haar (zo snel mogelijk) zou berichten waarom dit niet mogelijk was. Door een buiten de betrokkene gelegen omstandigheid heeft zij het bericht van de RDW echter pas een maand later vernomen. Zij heeft op dat moment echter direct actie ondernomen, waarna de tenaamstelling van het voertuig is beëindigd. Het hof ziet daarom in de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden aanleiding om in dit specifieke geval het bedrag van de sanctie te matigen tot de helft.
7. Het hof komt derhalve tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
wijzigt, met vernietiging van de beslissing van de officier van justitie in zoverre, het bedrag van de sanctie in de beslissing van de officier van justitie en in de inleidende beschikking in € 65,-;
bepaalt dat van hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal een bedrag van € 65,- wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.