Partijen zijn in 2015 onder huwelijkse voorwaarden getrouwd waarbij zij een afspraak maakten over een betaling van €40.000 aan de vrouw bij echtscheiding, waarvan €6.000 als bijdrage in levensonderhoud wordt gezien. De vrouw verzocht de rechtbank om de echtscheiding uit te spreken en betaling van dit bedrag te gelasten.
De man stelde dat de bepaling nietig is en dat hij geen bijdrage behoefde te betalen wegens gebrek aan behoefte of draagkracht. De rechtbank wees dit af en veroordeelde hem tot betaling van het bedrag conform de huwelijkse voorwaarden.
In hoger beroep betwistte de man de geldigheid van de bepaling en vroeg het hof de beschikking te vernietigen. Het hof oordeelde dat de afspraak niet in strijd is met de openbare orde, goede zeden of wet, en dat de man het risico van zijn eigen veronderstelling omtrent nietigheid draagt. Het hof bekrachtigde de beschikking en wees het beroep af.