Uitspraak
552avan het Wetboek van Strafvordering van:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het hof heeft een klaagschrift behandeld dat strekte tot opheffing van het conservatoir beslag op de woning van klager, dat was gelegd naar aanleiding van een machtiging op grond van artikel 12 Opiumwet Pro. Klager was veroordeeld tot betaling van een bedrag van €18.093,46 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, waartegen hoger beroep was ingesteld.
De raadsman van klager voerde aan dat het beslag onrechtmatig en disproportioneel was, mede gelet op artikel 94a Sv. De advocaat-generaal verwees naar vaste jurisprudentie en stelde dat het beslag rechtmatig was en niet disproportioneel, omdat het niet onwaarschijnlijk was dat het hof in hoger beroep een vergelijkbare beslissing zou nemen.
Het hof oordeelde dat het beslag rechtmatig was gelegd en dat disproportionaliteit slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is, welke hier niet aanwezig zijn. Het belang van de strafvordering en de bewaring van het recht tot verhaal van het geldbedrag wegen zwaarder dan het belang bij opheffing van het beslag.
Daarom verklaarde het hof het beklag ongegrond en handhaafde het conservatoir beslag op de woning van klager.
Uitkomst: Het hof verklaart het beklag ongegrond en handhaaft het conservatoir beslag op de woning.