Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2017:4002

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 mei 2017
Publicatiedatum
12 mei 2017
Zaaknummer
WAHV 200.192.777ev
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WAHVArt. 5 WAHVArt. 8 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging administratieve sancties kentekenhouder snorfiets ondanks gebruik door minderjarige zoon

De betrokkene werd als kentekenhouder van een snorfiets administratieve sancties opgelegd wegens het niet gebruiken van de rijbaan bij het ontbreken van een verplicht fietspad. De overtredingen vonden plaats op verschillende data in 2015. De betrokkene voerde aan dat haar zoon zonder haar toestemming de snorfiets gebruikte en zij daarom niet verantwoordelijk kon worden gehouden.

Het hof oordeelde dat de betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij het gebruik van haar voertuig door haar zoon redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen, zoals bedoeld in artikel 8, sub a, van de WAHV. De omstandigheden van de zoon, zoals zijn leeftijd, rijervaring en beperkte financiële middelen, konden niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt die tot matiging van de sancties zouden moeten leiden.

De kantonrechter had de beroepen van de betrokkene ongegrond verklaard en het hof bevestigde deze beslissing. De opgelegde sancties bleven daarmee in stand, waarbij het hof benadrukte dat de wetgever heeft gekozen voor een tariefsmatige afdoening waarbij individuele omstandigheden slechts zelden tot afwijking leiden.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boetes van € 95 per overtreding aan de kentekenhouder ondanks het gebruik door haar zoon zonder toestemming.

Uitspraak

WAHV 200.192.777, 200.192.778, 200.192.779 & 200.192.780
4 mei 2017
CJIB 187645174, 187936712, 187610749 & 187610566
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissingen
van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam
van 18 april 2016
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats] ,
voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] .

De beslissingen van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissingen ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissingen van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld de beroepen schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
De zaken zijn behandeld ter zitting van 21 april 2017. De betrokkene noch haar gemachtigde is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. H. de Ruijter.

Beoordeling

1. In de zaak met CJIB-nummer 187645174 (WAHV 200.192.777) is aan de betrokkene als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd ter zake van “als (snor)fietser bij het ontbreken (verpl.) (brom)fietspad niet de rijbaan gebruiken (bijv. rijden op trottoir, voetpad)”, welke gedraging zou zijn verricht op 23 januari 2015 om 20:15 uur op het Vondelpark te [plaats] met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. In de zaak met CJIB-nummer 187936712 (WAHV 200.192.778) is aan de betrokkene als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd ter zake van “als (snor)fietser bij het ontbreken (verpl.) (brom)fietspad niet de rijbaan gebruiken (bijv. rijden op trottoir, voetpad)”, welke gedraging zou zijn verricht op 21 februari 2015 om 17:47 uur op de Museumstraat te [plaats] met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
3. In de zaak met CJIB-nummer 187610749 (WAHV 200.192.779) is aan de betrokkene als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd ter zake van “als (snor)fietser bij het ontbreken (verpl.) (brom)fietspad niet de rijbaan gebruiken (bijv. rijden op trottoir, voetpad)”, welke gedraging zou zijn verricht op 7 februari 2015 om 17:41 uur op de Museumstraat te [plaats] met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. In de zaak met CJIB-nummer 187610566 (WAHV 200.192.780) is aan de betrokkene als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 95,- opgelegd ter zake van “als (snor)fietser bij het ontbreken (verpl.) (brom)fietspad niet de rijbaan gebruiken (bijv. rijden op trottoir, voetpad)”, welke gedraging zou zijn verricht op 6 februari 2015 om 16:54 uur op de Museumstraat te [plaats] met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
5. Namens de betrokkene is aangevoerd dat haar zoon de scooter zonder toestemming heeft gebruikt. De betrokkene is derhalve niet verantwoordelijk voor de overtredingen. Door de gemachtigde van de betrokkene is een verklaring van de zoon van de betrokkene in het geding gebracht. Voors verzoekt de gemachtigde, indien het hof de beslissing van de kantonrechter volgt, om matiging van de sanctie. De daadwerkelijke bestuurder was op het moment van de overtredingen nog geen zestien jaar en heeft door gebrekkige rijervaring het verbod voor scooters over het hoofd heeft gezien. Bovendien staat de boete niet in verhouding tot zijn zakgeld. De boetes zijn buitenproportioneel hoog en staan niet in relatie tot het gepleegde feit en het gemiddelde inkomen van een alleenstaande moeder.
6. Niet in het geding is dat de betrokkene de kentekenhouder is van voormeld voertuig. De betrokkene bestrijdt ook niet dat met dat voertuig de hiervoor genoemde gedragingen zijn verricht.
7. Artikel 5 WAHV Pro bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken was ingeschreven in het kentekenregister ten tijde van de gedraging
8. Artikel 8 WAHV Pro bevat een drietal uitzonderingen op de uit artikel 5 WAHV Pro voortvloeiende aansprakelijkheid, waaronder voor zover hier van belang de situatie waarin degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven aannemelijk maakt dat tegen zijn wil door een ander van het motorrijtuig gebruik is gemaakt en de betrokkene dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. De wetgever heeft bij deze uitzondering met name gedacht aan gevallen van joyriding of diefstal en uitdrukkelijk niet aan gevallen van toegestaan gebruik. In die laatste gevallen zal de ingeschrevene in het kentekenregister volgens de wetgever niet kunnen beweren, dat hij de feitelijke beschikkingsmacht onvrijwillig heeft verloren (Kamerstukken II, 1987-1988, 20329, nr. 3, blz. 44, waar wordt verwezen naar Kamerstukken II 1985-1986, 19405, nr. 3, blz. 10, en 1986-1987, 19405, nr. 6, blz. 20).
9. Hetgeen de gemachtigde van de betrokkene heeft aangevoerd, namelijk dat de zoon van de betrokkene zonder dat zijn moeder het wilde de snorfiets heeft meegenomen, is onvoldoende om te worden aangemerkt als een situatie waarin aannemelijk is geworden dat de betrokkene het gebruik van haar voertuig redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen, zoals hiervoor is bedoeld. Naar het oordeel van het hof zijn de sancties terecht aan de betrokkene, als kentekenhouder, opgelegd.
10. Vervolgens dient het hof gelet op het gevoerde verweer te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sancties te matigen.
11. Op grond van artikel 2, derde lid, van de WAHV is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. De in hoge mate tariefsmatige afdoening van gedragingen brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. De algemene stelling dat een sanctie door iemand met een lager inkomen daardoor wellicht zwaarder wordt gevoeld dan door iemand met een hoger inkomen, kan niet gelden als een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft de opgelegde sancties te matigen. Niet is aannemelijk gemaakt dat de betrokkene, gelet op haar inkomen, onevenredig hard wordt getroffen.
12. Ook overigens is het hof niet gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken. De omstandigheden dat de bestuurder van de scooter ten tijde van de gedraging nog geen 16 jaar oud was, vanwege zijn gebrekkige rijervaring de bebording niet heeft waargenomen en slechts zakgeld heeft, kunnen niet als een dergelijk bijzonder omstandigheid worden aangemerkt nu dit niet de betrokkene betreft.
13. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter de beroepen van de betrokkene terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissingen van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissingen van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Dörholt als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.