Uitspraak
577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering ingediend door:
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 29 mei 2017 uitspraak gedaan over een verzoek tot kwijtschelding dan wel matiging van een betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit verzoek was ingediend door een gemachtigde die geen advocaat was, namelijk een familielid van de veroordeelde.
De oorspronkelijke ontnemingsmaatregel was vastgesteld bij arrest van het hof in 2001 en later verminderd door de Hoge Raad in 2003. Het verzoek tot kwijtschelding werd schriftelijk ingediend op 13 maart 2017, maar de veroordeelde zelf was niet aanwezig bij de behandeling van het verzoek en had het verzoek niet zelf ondertekend.
Het hof oordeelt dat artikel 577b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering vereist dat het verzoekschrift door de veroordeelde zelf of diens gemachtigde wordt ingediend. Een familielid zonder volmacht kan dit niet doen. Omdat de veroordeelde niet aanwezig was om het verzoek te bevestigen, is het verzoek niet ontvankelijk verklaard.
Het hof wijst er bovendien op dat alleen de veroordeelde zelf of diens gemachtigde het verzoek in de raadkamer mag toelichten. De gemachtigde die het verzoek indiende, mocht dit niet namens de veroordeelde toelichten. De beslissing is dat het verzoek tot kwijtschelding wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding van de ontnemingsmaatregel is niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet door de veroordeelde zelf of diens gemachtigde is ingediend.