ECLI:NL:GHARL:2017:5280
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Openbaar ministerie niet-ontvankelijk wegens verjaring in diefstalzaak
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor diefstal van een trouwjurk en een etalagepop uit een winkelpand te Utrecht, gepleegd op of omstreeks 19 maart 2001. Het vonnis van de politierechter van 11 juni 2001 was bij verstek gewezen. De verdachte stelde hoger beroep in op 24 maart 2016.
Tijdens de terechtzitting op 9 juni 2017 stelde het openbaar ministerie zich niet-ontvankelijk wegens verjaring. De betekening van de inleidende dagvaarding aan de verdachte kon niet worden vastgesteld omdat een akte van uitreiking ontbrak en de betekening was betwist. Hierdoor kon niet worden bewezen dat de verjaring was gestuit door een daad van vervolging.
Volgens artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 3o, van het oude Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering na twaalf jaar voor het onderhavige misdrijf. De verjaringstermijn begon te lopen vanaf de dag na het gepleegde feit. Omdat tussen het vonnis van 11 juni 2001 en 13 maart 2016 geen stuitende vervolgingsdaad was verricht, was de strafvordering verjaard.
Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging. De verdachte was ontvankelijk in het hoger beroep omdat hij binnen de termijn van veertien dagen na kennisgeving van de executie van de straf hoger beroep had ingesteld.
Deze uitspraak benadrukt het belang van correcte betekening en het stuiten van verjaring om vervolging mogelijk te houden.
Uitkomst: Het openbaar ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van de strafvordering.