ECLI:NL:GHARL:2017:5463

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 juni 2017
Publicatiedatum
29 juni 2017
Zaaknummer
WAHV 200.194.830
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 AwbArt. 6:15 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 Awb
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie inhalen op voetgangersoversteekplaats

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het inhalen van een voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats, een overtreding van artikel 12 RVV Pro 1990. Hij stelde dat hij niet had ingehaald, maar slechts een stilstaand voertuig voorbijreed dat moest wachten op fietsers. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof stelde vast dat de betrokkene niet deugdelijke oproeping voor de zitting had ontvangen, waardoor de beslissing van de kantonrechter werd vernietigd.

Het hof oordeelde dat het beroep tegen de inleidende beschikking ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard, omdat het beroepschrift voortijdig bij een onbevoegd bestuursorgaan (Politie Amsterdam) was ingediend en niet tijdig was doorgezonden. Volgens artikel 6:10 Awb Pro was het beroep toch ontvankelijk omdat de beschikking nog niet tot stand was gekomen en de betrokkene redelijkerwijs kon menen dat dit wel het geval was.

Juridisch werd vastgesteld dat het begrip 'inhalen' ook het voorbijrijden van stilstaande voertuigen omvat die aan het verkeer deelnemen, zoals blijkt uit artikel 13 RVV Pro 1990. De betrokkene had op de bewuste datum een voertuig ingehaald op of vlak voor een voetgangersoversteekplaats, waardoor de overtreding vaststond en de sanctie terecht was opgelegd.

Het hof verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond, stelde vast dat een eerste verhoging van de sanctie ten onrechte was toegepast en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten voor de betrokkene.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter, verklaart het beroep tegen de officier van justitie gegrond, maar verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond en wijst proceskostenvergoeding toe.

Uitspraak

WAHV 200.194.830
27 juni 2017
CJIB 179255168
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam
van 3 mei 2016
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld ter zitting van 13 juni 2017. De betrokkene is verschenen.
Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen J.J. Lammers.
Ter zitting heeft de betrokkene verzocht om vergoeding van kosten.

Beoordeling

1. De betrokkene stelt dat hij niet is uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter.
2. Artikel 12, eerste lid, WAHV bepaalt dat de kantonrechter, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid stelt om op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen.
3. Het hof is niet in staat vast te stellen dat de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter van 3 mei 2016 aan de betrokkene is verzonden. De rechtbank beschikt namelijk niet over een deugdelijke verzendadministratie. Bij de stukken bevindt zich weliswaar een afschrift van een oproepingsbrief van 9 maart 2016 van de griffier van de rechtbank aan de betrokkene, maar dat deze brief daadwerkelijk is verstuurd, blijkt niet.
Hieruit volgt dat in strijd met artikel 12, eerste lid, WAHV is gehandeld. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen.
4. Ter beoordeling van het hof is nu het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie. Bij die beslissing is het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit niet tijdig zou zijn ingesteld.
5. Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de WAHV in verbinding met de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient het beroep tegen de inleidende beschikking te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop de beschikking aan de betrokkene is toegezonden.
6. Blijkens de gedingstukken is de inleidende beschikking op 19 februari 2014 aan de betrokkene toegezonden. De beroepstermijn eindigde derhalve op 2 april 2014. Bij de stukken bevinden zich meerdere beroepschriften; de oudste is gedateerd 16 december 2013. Bij de stukken bevindt zich tevens een brief van de Politie Amsterdam van 6 maart 2014, waarin de ontvangst van een door de betrokkene ingediend beroepschrift wordt bevestigd.
7. Artikel 6, eerste lid, van de WAHV bepaalt dat het beroep tegen een beschikking ingevolge de WAHV dient te worden ingesteld bij de officier van justitie.
8. De betrokkene heeft zijn beroepschrift d.d. 16 december 2013 kennelijk ingediend bij de Politie Amsterdam, zijnde een bestuursorgaan dat niet bevoegd is daarop te beslissen.
9. Artikel 6:15, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bij een onbevoegd bestuursorgaan ingediend beroepschrift wordt voorzien van de datum van ontvangst en dat het vervolgens zo spoedig mogelijk wordt doorgezonden aan het bevoegde orgaan. De Politie Amsterdam heeft dit nagelaten. Dat verzuim behoort niet voor rekening van de betrokkene te komen. Het hof zal er vanuit gaan dat het door de betrokkene ingediende beroepschrift op de dag na dagtekening, 17 december 2013, door de Politie Amsterdam is ontvangen. Op dat moment was de inleidende beschikking nog niet tot stand gekomen.
10. Artikel 6:10, eerste lid, van de Awb bepaalt onder meer dat een voortijdig ingediend beroepschrift niettemin ontvankelijk kan zijn indien het besluit ten tijde van de indiening nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Naar het oordeel van het hof doet die situatie zich hier voor, nu de betrokkene enkele dagen daarvoor was staandegehouden en hem een aankondiging van beschikking was uitgereikt. Het beroep tegen de inleidende beschikking is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard door de officier van justitie. Het hof zal het beroep tegen diens beslissing daarom gegrond verklaren en deze beslissing vernietigen.
11. Ter beoordeling van het hof is nu het beroep van de betrokkene tegen de inleidende beschikking, waarbij aan hem een administratieve sanctie van € 360,- is opgelegd ter zake van “inhalen van voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats”, welke gedraging zou zijn verricht op 13 december 2013 om 16:20 uur op de Scheldestraat te Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
12. De betrokkene ontkent dat hij heeft ingehaald. De betrokkene stond stil achter een auto die rechtsaf wilde slaan, maar waarvan de bestuurder moest wachten op passerende fietsers. De betrokkene moest rechtdoor en omdat hij het verderop gelegen verkeerslicht op groen zag staan, wilde hij zijn weg vervolgen. Op dat moment was de voetgangersoversteekplaats vrij en was er niemand die aanstalten maakte om over te steken. De betrokkene besloot de auto daarom ter linkerzijde voorbij te rijden. Volgens de betrokkene is dat geen inhalen. De definitie van inhalen is namelijk het voorbijrijden van een voertuig terwijl beide voertuigen in beweging zijn.
13. De gedraging betreft een overtreding van artikel 12 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Deze bepaling luidt als volgt:
“Het is verboden een voertuig vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats in te halen.”
14. Het RVV 1990 bevat geen definitie van het begrip ‘inhalen’. De uitleg die de betrokkene daaraan geeft, is echter te beperkt. Ook het voorbijrijden van voertuigen die weliswaar stilstaan, maar wel aan het verkeer deelnemen, moet als inhalen worden aangemerkt. Dit kan onder meer worden afgeleid uit artikel 13, tweede lid, van het RVV 1990, waarin is bepaald dat files ter rechterzijde worden ingehaald. Een file kan uit langzaam rijdende, maar ook uit stilstaande voertuigen bestaan. Het voorbijgaan van een stilstaand voertuig dat wel aan het verkeer deelneemt, moet dus, anders dan de betrokkene veronderstelt, wel degelijk als inhalen worden beschouwd.
15. Nu vaststaat dat de betrokkene op voormelde datum, tijd en plaats een voertuig dat zich op de rijbaan bevond heeft ingehaald, terwijl dit voertuig zich op of vlak voor een voetgangersoversteekplaats bevond, staat vast dat de gedraging is verricht.
16. Het voorgaande brengt mee dat terecht een sanctie is opgelegd aan de betrokkene. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt daarom ongegrond verklaard.
17. De betrokkene stelt dat ten onrechte een verhoging van de sanctie is toegepast.
18. Het hof stelt vast dat, nu de betrokkene bij brief van 16 december 2013 beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking, ten onrechte op 29 april 2014 een eerste verhoging van de sanctie is toegepast.
19. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep
.Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 53,18 (woonadres betrokkene - gerechtshof v.v.).
20. Voorts heeft de betrokkene verzocht om vergoeding van verletkosten. Verletkosten komen voor vergoeding in aanmerking overeenkomstig artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De door de gemachtigde ter zitting verzochte verletkosten van in totaal € 108,- (8 uren x € 13,50) komen voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 14 juni 2014 gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
stelt vast dat de aan de betrokkene opgelegde eerste verhoging van de sanctie ten onrechte is toegepast;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 161,18.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.