Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2017:5838

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 juli 2017
Publicatiedatum
7 juli 2017
Zaaknummer
WAHV 200.194.818
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 RVV 1990Art. 13 lid 2 RVV 1990Art. 2 lid 1 onder c Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 11 lid 1 onderdeel d Besluit tarieven in strafzaken 2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging boete wegens onduidelijkheid rechts inhalen bij vermeende filevorming

Betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €230 opgelegd wegens het vermeend rechts inhalen op het Schenkviaduct te 's-Gravenhage op 30 mei 2014. Hij voerde aan dat er sprake was van filevorming en dat het rechts inhalen dan is toegestaan volgens artikel 13, tweede lid, RVV 1990.

De verbalisant verklaarde dat betrokkene met circa 65 km/u een auto rechts had ingehaald, waarbij de ingehaalde bestuurder schrok. De kantonrechter vroeg nadere informatie op, maar uit het aanvullend proces-verbaal bleek niet of er sprake was van filevorming.

Het hof oordeelt dat de verklaringen van de verbalisant onvoldoende zijn om overtuigend vast te stellen dat betrokkene rechts heeft ingehaald waar dat verboden is. Het hof vernietigt daarom de beslissing van de kantonrechter en de boete van de officier van justitie, en verklaart het beroep gegrond.

Daarnaast kent het hof betrokkene een proceskostenvergoeding toe voor reiskosten en verletkosten, omdat hij de zitting in hoger beroep heeft bijgewoond.

De zaak betreft de uitleg van het inhaalverbod en de uitzonderingen daarop bij verkeerssituaties met filevorming, waarbij het hof de belangen van betrokkene beschermt tegen onvoldoende bewijs van overtreding.

Uitkomst: De boete wegens rechts inhalen wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs en het beroep wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

WAHV 200.194.818
7 juli 2017
CJIB 183132819
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag
van 10 juni 2016
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing gedeeltelijk gegrond verklaard en die beslissing vernietigd, de pleeglocatie gewijzigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.
Bij brief van 3 mei 2017 is door de betrokkene verzocht om een behandeling ter zitting.
De zaak is behandeld ter zitting van 23 juni 2017. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. C.T. Brontsema.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “rechts inhalen waar dat verboden is”, welke gedraging zou zijn verricht op 30 mei 2014 om 10.50 uur op het Schenkviaduct te 's-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken].
2. De betrokkene voert met betrekking tot de gedraging aan dat het rechts inhalen heeft plaatsgevonden op voorsorteervakken. Op de desbetreffende locatie gaat de doorstroming op de rechter voorsorteerstrook sneller. De betrokkene stond op de linker rijstrook en is naar de rechter rijstrook gewisseld omdat daar minder auto's stonden. Indien men op de rechterrijstrook in dit geval de auto's op de linkerrijstrook niet mag passeren, gaat dit ten koste van de doorstroming. De wegenverkeerswetgeving heeft hierin voorzien door het verbod op rechts inhalen op te heffen als er sprake is van filevorming, aldus de betrokkene.
3. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 11, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), dat inhoudt:
“Inhalen geschiedt links.”
4. Artikel 13, tweede lid, RVV 1990, bevat een uitzondering op de hoofdregel dat inhalen links geschiedt:
“Files mogen aan de rechterzijde worden ingehaald.”
5. In WAHV-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
6. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:
“Op ddt (het hof leest: dag, datum en tijd) zagen wij betrokkene met personenauto over locatie rijden op de linkerrijstrook. Wij zagen dat betrokkene met personenauto met een geschatte snelheid van 65 km/u een (1) personenauto niet links inhalen. Wij zagen dat de bestuurder van de ingehaalde personenauto hiervan schrok. Wij zagen dat bestuurder namelijk direct zijn remlichten liet branden.”
7. De kantonrechter heeft de zaak aangehouden en aanvullende stukken bij de officier van justitie opgevraagd. Naar aanleiding hiervan is een aanvullend proces-verbaal van 19 maart 2016 ingediend, waarin de verbalisant, voor zover relevant, het volgende verklaart:
"Gezien het tijdsbestek, mei 2014, kan ik mij niet meer exact herinneren waar betrokkene de handeling op het wegdek uitvoerde. (…)
Gezien het feit dat de rijbaan uit twee rijstroken bestaat, en beide rijstroken voor rechtdoor gesitueerd zijn en tevens rijstrook 2 voor rechtsaf slaand verkeer, geld ook hier dat het niet is toegestaan om rechts in te halen.
Betrokkene reed op het moment van de overtreding op rijstrook 2, de verkeerslichten straalden al enige seconden groen licht uit en betrokkene vervolgde zijn weg rechtdoor richting de Utrechtsebaan.
Er wordt op dit moment gesproken van niet links inhalen.
Het voertuig welke betrokkene inhaalde stond namelijk niet voorgesorteerd om links af te slaan omdat dit simpelweg niet is toegestaan op de kruising Schenkviaduct / Weteringkade te Den Haag."
8. Het hof stelt vast dat de betrokkene reeds in het beroepschrift tegen de inleidende beschikking heeft aangevoerd, dat er sprake was van voorsorteren en dat er op de linker rijbaan meer auto's stonden voorgesorteerd dan op de rechter rijbaan, in welk geval rechts inhalen is toegestaan. Hiermee geeft de betrokkene te kennen dat er naar zijn mening sprake was van filerijden. Naar aanleiding van dit beroepschrift, nu de betrokkene zijn gronden in beroep bij de kantonrechter heeft gehandhaafd, heeft de kantonrechter de officier van justitie verzocht nadere informatie te verstrekken. Uit het aanvullend proces-verbaal van de verbalisant blijkt niet of er sprake was van filevorming.
9. Gelet op hetgeen de betrokkene gedurende de gehele procedure vasthoudend en consistent heeft aangevoerd, acht het hof de verklaringen van de verbalisant onvoldoende om tot de overtuiging te komen dat de betrokkene rechts heeft ingehaald waar dat verboden is.
Het hof acht het in deze fase van de procedure niet wenselijk om - nog daargelaten de vraag of uit de stukken voldoende blijkt dat die gedraging is verricht - de feitcode te wijzigen in R512: 'als bestuurder van rijstrook wisselen zonder het overige verkeer voor te laten gaan'.
10. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten met gegrondverklaring van het beroep daartegen de beslissing van de officier van justitie vernietigen, het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond verklaren en die inleidende beschikking vernietigen. Nu de inleidende beschikking wordt vernietigd, behoeven de overige bezwaren van de betrokkene geen bespreking meer.
11. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep
.Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 52,40 ([woonplaats] - Leeuwarden v.v.).
12. Voorts heeft de gemachtigde verzocht om vergoeding van verletkosten. Verletkosten komen voor vergoeding in aanmerking overeenkomstig artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het hof acht de ter zitting verzochte verletkosten redelijk en kent de betrokkene de verzochte vergoeding van € 150,- voor de zittingen bij de kantonrechter en van € 75,- voor de zitting in hoger beroep toe.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 183132819 de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV Pro tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 277,40.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.