Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van een perceel grasland met drie schuren, waarop de WOZ-waarde en aanslagen OZB zijn vastgesteld. Hij betwist in hoger beroep de WOZ-waarde, de aanslag OZB gebruikersbelasting en stelt dat het gelijkheidsbeginsel, het verbod op willekeur en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden.
Het Hof onderzocht de stellingen en stelde vragen aan de heffingsambtenaar over de WOZ-container cultuurgrond en de toepassing van de meerderheidsregel. Uit de beantwoording bleek dat een groot aantal percelen correct is aangeslagen en dat geen sprake is van willekeur of begunstigend beleid. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt wegens onvoldoende onderbouwing.
De WOZ-waarde is onderbouwd met een taxatierapport en referentieobjecten, waarbij de grondprijs en de waarde van de opstallen als niet te hoog zijn vastgesteld. De aanslag OZB gebruikersbelasting is terecht opgelegd omdat het perceel niet in hoofdzaak tot woning dient.
Het hoger beroep wordt gegrond verklaard voor het niet toekennen van proceskosten in de bezwaarfase. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De overige beroepen worden afgewezen.