ECLI:NL:GHARL:2017:6365
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen een eerdere beslissing van de rechtbank Gelderland betreffende een ontnemingsvordering in een strafzaak tegen de verdachte. De verdachte was eerder veroordeeld voor witwassen en valsheid in geschrift, maar vrijgesproken van het opmaken van onjuiste belastingaangiften.
Tijdens de terechtzittingen op 27 januari 2014, 26 augustus 2015 en 15 maart 2017 heeft het hof het bewijs en de argumenten van partijen zorgvuldig gewogen. De advocaat-generaal had een vordering ingediend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 1.892.390, waarvan € 1.392.990 aan de Staat zou moeten worden betaald.
Het hof oordeelde dat op grond van het Geerings-arrest feiten waarvoor de verdachte is vrijgesproken niet kunnen worden betrokken in de ontnemingsprocedure. Verder kon uit de bewezenverklaarde feiten niet overtuigend worden afgeleid dat de verdachte uit de baten van het witwassen en valsheid in geschrift daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De enkele aanwijzing dat verdachte mogelijk betrokken was bij drugshandel was onvoldoende om het voordeel uit andere strafbare feiten aan te nemen.
Daarom vernietigde het hof het vonnis waarvan beroep en wees de vordering tot ontneming af. De verdachte werd niet verplicht tot betaling van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat.
Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.