ECLI:NL:GHARL:2017:6365

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 april 2017
Publicatiedatum
25 juli 2017
Zaaknummer
21-004465-13
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen een eerdere beslissing van de rechtbank Gelderland betreffende een ontnemingsvordering in een strafzaak tegen de verdachte. De verdachte was eerder veroordeeld voor witwassen en valsheid in geschrift, maar vrijgesproken van het opmaken van onjuiste belastingaangiften.

Tijdens de terechtzittingen op 27 januari 2014, 26 augustus 2015 en 15 maart 2017 heeft het hof het bewijs en de argumenten van partijen zorgvuldig gewogen. De advocaat-generaal had een vordering ingediend tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 1.892.390, waarvan € 1.392.990 aan de Staat zou moeten worden betaald.

Het hof oordeelde dat op grond van het Geerings-arrest feiten waarvoor de verdachte is vrijgesproken niet kunnen worden betrokken in de ontnemingsprocedure. Verder kon uit de bewezenverklaarde feiten niet overtuigend worden afgeleid dat de verdachte uit de baten van het witwassen en valsheid in geschrift daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De enkele aanwijzing dat verdachte mogelijk betrokken was bij drugshandel was onvoldoende om het voordeel uit andere strafbare feiten aan te nemen.

Daarom vernietigde het hof het vonnis waarvan beroep en wees de vordering tot ontneming af. De verdachte werd niet verplicht tot betaling van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat.

Uitkomst: De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004465-13
Uitspraak d.d.: 12 april 2017
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland van 11 april 2013 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 05-901022-08 en 05-702340-10, tegen

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1964] ,
wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 27 januari 2014, 26 augustus 2015 en 15 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten op € 1.892.390 en het aan de Staat te betalen bedrag vaststelt op € 1.392.990. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door veroordeelde en zijn raadsman, mr. R. Zilver, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Overweging met betrekking tot de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Door de rechtbank is verdachte bij vonnis van 2 oktober 2012 vrijgesproken van het in strijd met de waarheid opmaken van aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2004 tot en met 2007.
De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 12 april 2017 (parketnummer 21-004262-12 ter zake van witwassen, meermalen gepleegd en valsheid in geschrift met betrekking tot het opmaken van jaarrekeningen, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
In het Geerings-arrest (EHRM 1 maart 2007, NJ 2007, 349) is kort gezegd expliciet uitgesproken dat feiten waarvoor de veroordeelde in de strafzaak is vrijgesproken niet betrokken kunnen worden in de ontnemingsprocedure.
Naar het oordeel van het hof valt uit de feiten en omstandigheden waarvoor het hof veroordeelde heeft veroordeeld niet wettig en overtuigend af te leiden dat verdachte uit de baten van het witwassen en de valsheid in geschrift aantoonbaar wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De enkele verwijzing in het dossier dat verdachte mogelijk betrokken is (geweest) bij de handel in verdovende middelen is onvoldoende om bewezen te achten dat het aannemelijk is dat verdachte uit andere strafbare feiten wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.
De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Wijst af de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel tot het in die vordering genoemde bedrag.
Aldus gewezen door
mr. R. de Groot, voorzitter,
mr. T.M.L. Wolters en mr. H. Heins, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.W. Jansink, griffier,
en op 12 april 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. Wolters is buiten staat dit arrest te ondertekenen.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 12 april 2017.
Tegenwoordig:
mr. R. de Groot, voorzitter,
mr. H. Heins en A.J. Smit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van T.M.M. van Lieshout-Witjes, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte

[veroordeelde] ,

geboren te Wageningen op [1964] ,
wonende te [woonplaats] .
is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.