In deze civiele zaak stond het verzoek centraal om de termijn voor de verkoop en overdracht van in beslag genomen aandelen te bepalen en te verlengen. De eiser in hoger beroep, hierna verzoeker, betwistte de belangenafweging van de rechtbank en stelde dat verkoop zijn pensioenvoorziening zou aantasten. De verweerster had een executoriale titel tot verhaal van een omvangrijke alimentatievordering en had beslagen gelegd op aandelen en certificaten.
De rechtbank had bepaald dat verkoop en overdracht binnen twaalf maanden na uitspraak moesten plaatsvinden. Verzoeker stelde dat deze termijn onduidelijk was en dat de verkoop zijn belangen schaadde. Het hof oordeelde dat de termijnstelling helder was en dat de belangenafweging van de rechtbank juist was, mede gelet op het belang van verweerster bij verhaal van haar vordering.
Tijdens de mondelinge behandeling werd een verzoek tot verlenging van de termijn met drie maanden door het hof toegewezen, mede omdat partijen overleg voerden over een minnelijke regeling en de deurwaarder een redelijke termijn nodig had om de verkoop te organiseren. De grieven van verzoeker faalden, de bestreden beschikking werd bekrachtigd met de termijnverlenging tot 12 december 2017 en verzoeker werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.