Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De vaststaande feiten
3.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
4.De beoordeling van de grieven en de vordering
5.De slotsom
€ 718
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond een geldleningsovereenkomst centraal waarbij de geïntimeerde een lening van €120.000 aan [X] verstrekte, met de appellant als borg voor 60% van de betalingsverplichtingen. De lening moest uiterlijk op 31 januari 2011 volledig zijn terugbetaald, met maandelijkse aflossingen.
[X] betaalde echter vanaf het begin niet volledig en tijdig, waardoor de hoofdsom en rente volgens de overeenkomst direct opeisbaar werden. De geïntimeerde stelde de borg aansprakelijk na het faillissement van [X], maar de appellant voerde verjaring aan.
Het hof oordeelde dat de vordering jegens de borg opeisbaar werd bij de eerste niet-tijdige betaling op 28 februari 2005, waarna de verjaring op 1 maart 2005 begon te lopen. Omdat geen stuiting van de verjaring jegens de borg had plaatsgevonden, was de vordering verjaard. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vordering af, waarbij de geïntimeerde werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de geïntimeerde tegen de borg is verjaard en wordt afgewezen.