Belanghebbende maakte bezwaar tegen een dwangbevel van de Belastingdienst met kosten van betekening. Na een uitspraak op bezwaar die het bezwaar ongegrond verklaarde, stelde belanghebbende de Ontvanger in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Belanghebbende vorderde vervolgens een dwangsom.
Het geschil betrof de vraag of de ingebrekestelling tijdig was en of de Ontvanger daardoor een dwangsom had verbeurd. Het hof oordeelde dat een brief van belanghebbende van 12 april 2015, die als ingebrekestelling werd aangemerkt, te vroeg was omdat de Ontvanger toen nog niet in gebreke was. De eerste geldige ingebrekestelling was pas op 14 oktober 2015 ontvangen, waarna de Ontvanger binnen twee weken uitspraak op bezwaar deed.
Hierdoor was geen sprake van een verbeurde dwangsom. Het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.