ECLI:NL:GHARL:2017:8525

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
29 september 2017
Publicatiedatum
29 september 2017
Zaaknummer
WAHV 200.183.265
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 RVV 1990Art. 68 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor door rood licht rijden op fietspad zonder onderbord rechtsaf

Betrokkene werd een administratieve sanctie van €90 opgelegd wegens het negeren van een rood verkeerslicht op een fietspad op 19 februari 2014. Hij voerde aan dat hij rechtsaf sloeg nadat hij de stopstreep was gepasseerd en dat dit is toegestaan voor fietsers die rechtsaf slaan.

Het hof stelde vast dat het verkeerslicht op rood stond toen betrokkene het fietspad passeerde en dat hij zich aan dat verkeerslicht moest houden. De uitzondering voor rechtsaf slaan bij rood geldt alleen indien een onderbord aanwezig is, wat hier niet het geval was.

Het hof oordeelde dat de gedraging bewezen is en dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om de sanctie te matigen of achterwege te laten. De beslissing van de kantonrechter wordt bevestigd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie voor het negeren van het rode verkeerslicht op het fietspad zonder onderbord voor rechtsaf slaan.

Uitspraak

WAHV 200.183.265
29 september 2017
CJIB 179704064
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland
van 9 oktober 2015
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht”, welke gedraging zou zijn verricht op 19 februari 2014 om 14:54 uur op de [a-straat] te [A] met een fiets.
2. De betrokkene erkent dat het verkeerslicht voor rechtdoor gaande fietsers op rood stond maar stelt dat hij daarvoor niet hoefde te stoppen, nu alle overige verkeerslichten voor rechtdoor gaand verkeer groen licht gaven. Bovendien stelt hij in hoger beroep en bij de kantonrechter dat hij bij dat verkeerslicht rechtsaf is geslagen toen hij de stopstreep gepasseerd was (en direct weer naar links en tenslotte weer rechts is afgeslagen) en dat het voor fietsers die rechts afslaan is toegestaan om door rood te rijden. De betrokkene heeft ter onderbouwing van zijn standpunten een foto van de situatie ter plaatse overgelegd.
3. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in: “Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer meer dan 5 seconden op rood stond op het moment dat de betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde.”.
4. Gelet op de verklaring van de verbalisant en in aanmerking genomen dat de betrokkene in zijn beroepschrift in hoger beroep heeft verklaard dat hij de stopstreep bij het verkeerslicht voor rechtdoor gaande fietsers is gepasseerd en in zijn beroepschrift tegen de inleidende beschikking dat hij "met het doorgaande verkeer is meegereden", is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat het verkeerslicht op het fietspad waarop de betrokkene reed op rood stond toen de betrokkene dit passeerde.
5. De stelling van de betrokkene dat hij niet voor het rode verkeerslicht hoefde te stoppen, nu alle overige verkeerslichten in dezelfde richting groen licht gaven, is niet juist. Zoals hiervoor is vastgesteld, maakte de betrokkene gebruik van het fietspad. Dat brengt mee dat hij zich diende te houden aan het verkeerslicht dat voor het verkeer op dat fietspad gold. Nu, zoals is vastgesteld, dat verkeerslicht op rood stond, had de betrokkene hiervoor moeten stoppen (vergelijk de artikelen 62 en 68 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, hierna RVV 1990). Dat het verkeerslicht voor het verkeer in de rijstroken voor de richting van rechtdoor wel groen licht uitstraalde, maakt dat niet anders.
6. De stelling van de betrokkene dat het voor fietsers die rechts afslaan, zoals hij stelt te hebben gedaan, is toegestaan om door rood te rijden, is evenmin juist. Weliswaar is in het RVV 1990 voor rechtsaf slaande fietsers een uitzondering op de gelding van het rode verkeerslicht opgenomen, maar die uitzondering doet zich alleen voor indien dat is aangegeven met een bord dat onder het verkeerslicht is geplaatst (vergelijk artikel 68, vijfde lid, van het RVV 1990). Uit de door de betrokkene overgelegde foto blijkt evenwel dat ter plaatse geen onderbord bij het verkeerslicht voor de fietsers is aangebracht.
7. Gelet op het voorgaande is naar overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Voorts is het hof van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven het opleggen van een sanctie achterwege te laten of het bedrag te matigen. Dat de gemeente, volgens de betrokkene, de afstelling van de verkeersinstallatie inmiddels heeft veranderd, is niet als zodanig aan te merken.
8. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.